Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Hij voert daartoe aan dat hij niet de persoon is die in Italië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Het is volgens eiser volstrekt onduidelijk op grond waarvan de Italiaanse autoriteiten baseren dat hij daar een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Dat blijkt in ieder geval niet uit Eurodac, hetgeen vreemd is. Gegevens in Eurodac worden geregistreerd op basis van vingerafdrukken en er zitten geen
vingerafdrukken van eiser in Eurodac met betrekking tot Italië. Uit het bestreden besluit blijkt verder dat eiser acht aliassen heeft, maar niet is duidelijk dat de aliassen dezelfde persoon als eiser betreffen zodat niet de conclusie kan worden getrokken dat eiser in Italië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder stelt wel dat hij ambtshalve gegevens heeft ontvangen die het tegendeel bewijzen, maar die gegevens zijn niet overgelegd zodat die niet door de rechtbank kunnen worden getoetst op juistheid of volledigheid en er sprake is van schending van artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 5 van Pro het EVRM en artikel 47 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Voorts voert eiser aan dat verweerder had moeten onderzoeken wat hij vervolgens heeft gedaan, hoe zijn reisroute is geweest en of hij is teruggekeerd naar zijn land van herkomst.
“In een dergelijke situatie, waarin de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek reeds vaststaat, hoeven de regels inzake de procedure tot bepaling van deze verantwoordelijkheid, waaronder in de eerste plaats de in hoofdstuk III van die verordening neergelegde criteria, niet opnieuw te worden toegepast.”.In het geval van eiser gaat het om een terugnamesituatie waarbij tussen Zweden en Italië op 9 maart 2013 een claimakkoord tot stand is gekomen. Zweden heeft in 2013 dus al vastgesteld dat Italië de verantwoordelijke lidstaat is om eisers asielverzoek te behandelen. De procedure tot bepaling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming was daarmee afgerond. Dat betekent dat artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening in eisers situatie niet van toepassing is. Onder verwijzing naar het hiervoor genoemde arrest van het Hof is de rechtbank dan ook van oordeel dat eiser in deze procedure niet meer kan opkomen tegen het reeds tussen Zweden en Italië vaststaand claimakkoord van 9 maart 2013 en dus tegen de verantwoordelijkheidsvaststelling van Italië. Eiser had zich in de Zweedse procedure kunnen verweren tegen de vaststelling van Italië als verantwoordelijke lidstaat als hij het daar niet mee eens was. Eiser heeft ook niet onderbouwd gesteld dat hij het grondgebied van de lidstaten langer dan drie maanden heeft verlaten. In dat geval zou de verantwoordelijk van Italië zijn komen te vervallen.