ECLI:NL:RBDHA:2019:12168
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens drugshandel
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van de waarnemend burgemeester van Den Haag om hun woning voor zes maanden te sluiten wegens de aanwezigheid van aanzienlijke hoeveelheden harddrugs en contant geld. De woning werd gesloten op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet.
Tijdens het onderzoek werden onder meer 21,7 gram MDMA, 2266,6 gram cocaïne, een stiletto, een boksbeugel en meer dan €225.000,- in contanten aangetroffen. Verzoekers stelden dat zij niet op de hoogte waren van drugshandel en dat de sluiting onevenredig is, mede vanwege de aanwezigheid van minderjarige kinderen.
De voorzieningenrechter overwoog dat persoonlijke verwijtbaarheid niet vereist is voor de toepassing van de sluitingsmaatregel en dat de omvang van de aangetroffen goederen wijst op drugshandel. Ook werd geoordeeld dat de belangen van de minderjarige kinderen voldoende zijn meegewogen en dat verzoekers niet aannemelijk hebben gemaakt dat de sluiting onevenredig is.
Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen, waarbij werd benadrukt dat deze uitspraak een voorlopig karakter heeft en de bodemprocedure niet bindt.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt afgewezen.