ECLI:NL:RBDHA:2019:12275
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking Nederlanderschap wegens verzwijging voornemen intrekking verblijfsvergunning
Eiseres verkreeg het Nederlanderschap via een optieverklaring in maart 2016. Zij verzweeg bij deze verklaring het voornemen tot intrekking van haar verblijfsvergunning, waarvan zij op de hoogte was. Dit voornemen werd later definitief en leidde tot intrekking van haar verblijfsvergunning met terugwerkende kracht.
De staatssecretaris trok daarop het Nederlanderschap van eiseres in op grond van artikel 14 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap, omdat zij relevante feiten had verzwegen. Eiseres voerde aan dat het voornemen tot intrekking geen rechtskracht had en dus niet relevant was, maar de rechtbank oordeelde dat het verzwijgen van dit feit wel degelijk relevant was voor de beoordeling van haar optieverklaring.
De rechtbank overwoog dat de intrekking van het Nederlanderschap ook het verlies van het EU-burgerschap inhoudt, maar dat dit in dit geval niet onevenredig is gezien de ernst van het verzwijgen en de belangenafweging die is gemaakt. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro werd verworpen, mede omdat eiseres een nieuwe verblijfsvergunning heeft gekregen en geen onevenredige gevolgen voor haar gezinsleven zijn gebleken.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de intrekking van het Nederlanderschap bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van het Nederlanderschap wegens verzwijging van het voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.