ECLI:NL:RBDHA:2019:12369
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters in insolventiezaken rechtbank Den Haag
Verzoeker, verblijvend in een penitentiaire inrichting, verzocht om wraking van de meervoudige raadkamer van de rechtbank Den Haag die betrokken was bij zijn inbewaringstelling en faillissementszaak. Hij stelde dat de voorzitter niet de namen van bijzitters noemde, dat de voorzitter eerder over dezelfde zaak had geoordeeld en dat de zitting in zijn afwezigheid was heropend.
De wrakingskamer oordeelde dat het niet noemen van de bijzittersnamen geen schijn van partijdigheid oplevert. De eerdere betrokkenheid van de voorzitter bij dezelfde zaak is volgens vaste jurisprudentie onvoldoende voor wraking zonder bijkomende omstandigheden, die niet waren aangetoond. De heropening van de zitting zonder aanwezigheid van de raadsman werd gezien als organisatorisch en het besluit tot verlenging van de inbewaringstelling was noodzakelijk en niet uitstelbaar.
De raadsman was zelf verantwoordelijk voor zijn afwezigheid tijdens de voortzetting van de zitting. De wrakingskamer concludeerde dat geen sprake was van vooringenomenheid of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor en wees het verzoek af. De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters wordt afgewezen wegens het ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.