ECLI:NL:RBDHA:2019:12389

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 november 2019
Publicatiedatum
22 november 2019
Zaaknummer
AWB 19/4487
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.F. Frankruijter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1 AwbArt. 62a VwArt. 62b VwArt. 72 VwArt. 8 EVRM
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugkeerbesluit en verblijfsaanspraak op grond van Vreemdelingenwet en Terugkeerrichtlijn

De zaak betreft een beroep van eiseres tegen een separaat terugkeerbesluit uitgevaardigd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 15 mei 2019. Eiseres betwist primair de bevoegdheid van de rechtbank om kennis te nemen van het beroep, maar de rechtbank oordeelt dat zij bevoegd is op grond van de Regeling rechtstreeks beroep en de Vreemdelingenwet.

Subsidiair voert eiseres aan dat zij rechtmatig verblijf heeft op grond van een op 4 juli 2019 ingediende aanvraag en dat het terugkeerbesluit daarmee onrechtmatig is. De rechtbank stelt vast dat ten tijde van het besluit geen rechtmatig verblijf bestond en dat de aanvraag na het besluit is ingediend. De werking van het terugkeerbesluit is opgeschort vanwege deze aanvraag, wat door verweerder is bevestigd.

Eiseres verzoekt tevens om een langere vertrektermijn vanwege haar gezinsomstandigheden. De rechtbank verwijst naar de Terugkeerrichtlijn en de Vreemdelingenwet, waaruit volgt dat de maximale vertrektermijn vier weken bedraagt en dat een verzoek tot verlenging afzonderlijk moet worden ingediend.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 19/4487

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2019 in de zaak tussen

[naam eiseres] , eiseres,

gemachtigde: mr. J. Luscuere,
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. R. Honing.

Procesverloop

Verweerder heeft op 15 mei 2019 een terugkeerbesluit tegen eiseres uitgevaardigd.
Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiseres heeft primair betoogd dat de rechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van het beroep.
1.1.
Op grond van artikel 7:1, aanhef en onder g, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij het besluit is genomen op grond van een voorschrift als genoemd in de bij deze wet behorende Regeling rechtstreeks beroep dan wel het besluit anderszins in die regeling is omschreven.
Op grond van de Regeling rechtstreeks beroep kan tegen een besluit, genomen op grond van een in deze regeling genoemd voorschrift dan wel anderszins in deze regeling omschreven, geen bezwaar worden gemaakt.
In de Regeling rechtstreeks beroep zijn de artikelen 62a, eerste lid, en 62b van de Vreemdelingenwet (Vw) opgenomen.
1.2.
Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat zij bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen het terugkeerbesluit. Het tegen eiseres uitgevaardigde separate terugkeerbesluit is een kennisgeving als bedoeld in artikel 62a, eerste lid, van de Vw.
Weliswaar is in artikel 72, vierde lid, van de Vw opgenomen dat de kennisgeving als bedoeld in artikel 62a, eerste lid, van de Vw wordt gelijkgesteld met een beschikking, maar naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval de Regeling rechtstreeks beroep, als bijlage van de Awb, bepalend voor het aan te wenden rechtsmiddel. De Regeling rechtstreeks beroep is immers van een latere datum dan het van 1 april 2001 daterende artikel 72, vierde lid, van de Vw, waaruit de rechtbank concludeert dat de wetgever bedoeld heeft dat er geen bezwaar kan worden gemaakt tegen een separaat terugkeerbesluit.
2. Eiseres voert subsidiair aan dat zij op basis van haar op 4 juli 2019 ingediende aanvraag voor bepaalde tijd voor verblijf bij haar gezinsleden op grond van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, rechtmatig verblijf heeft. Het terugkeerbesluit is daarmee in strijd. Op grond van artikel 13, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn is de rechtbank bevoegd het terugkeerbesluit te herzien dan wel op te schorten. Hierin ligt besloten dat de rechtbank ex nunc nieuwe feiten of omstandigheden kan betrekken bij haar beoordeling, aldus eiseres.
2.1.
De rechtbank stelt vast dat eiseres niet betwist dat zij ten tijde van het uitvaardigen van het terugkeerbesluit geen rechtmatig verblijf had. In zoverre is het terugkeerbesluit rechtmatig uitgevaardigd. Dat eiseres na het uitvaardigen van het terugkeerbesluit een nieuwe aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning heeft ingediend, maakt dit niet anders. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat de werking van het terugkeerbesluit op dit moment is opgeschort vanwege de ingediende aanvraag. Eiseres heeft aangegeven dat het voor haar het belangrijkste is dat zij de aanvraag kan doen en de beslissing mag afwachten. Nu dit door verweerder op de zitting is bevestigd, begrijpt de rechtbank dat de rest van de beroepsgrond geen bespreking meer behoeft.
3. Eiseres voert verder aan dat aan haar een langere vertrektermijn moet worden verleend, omdat zij bovengenoemde aanvraag heeft ingediend nu aan haar twee kinderen een verblijfsvergunning is verleend.
3.1.
Uit artikel 7, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn volgt dat de lidstaten een passende termijn voor vrijwillig vertrek tussen de zeven en dertig dagen vaststellen. De lidstaten kunnen bepalen dat deze termijn alleen op aanvraag van de betrokken onderdaan van een derde land wordt toegekend. In dit geval stellen de lidstaten de betrokken onderdanen van derde landen in kennis van de mogelijkheid tot indiening van een dergelijk verzoek.
Uit artikel 7, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn volgt dat de lidstaten zo nodig de termijn voor het vrijwillig vertrek met een passende periode verlengen, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van het individuele geval, zoals de verblijfsduur, het feit dat er schoolgaande kinderen zijn en het bestaan van andere gezinsbanden en sociale banden.
3.2.
De hiervoor genoemde bepalingen uit de Terugkeerrichtlijn zijn geïmplementeerd in artikel 62 van Pro de Vw. Op grond van artikel 62, eerste lid, van de Vw is het niet mogelijk om een langere vertrektermijn dan vier weken te verlenen. De aan eiseres gegeven vertrektermijn bedraagt dan ook de wettelijk bepaalde maximale duur. Eiseres kan wel, zoals uit artikel 62, derde lid, van de Vw volgt, een verzoek om verlenging indienen bij verweerder. Dat daarvoor een apart verzoek moet worden ingediend, is niet in strijd met de regeling in de Terugkeerrichtlijn.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Frankruijter, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.L.F. de Leeuw, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 13 november 2019.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.