De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met een minderjarige tussen 12 en 16 jaar, gepleegd in de periode van januari tot maart 2017 te Den Haag, Rijswijk en elders in Nederland. De tenlastelegging betrof het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer, waaronder het in de mond en vagina brengen en bewegen van de penis.
Tijdens de inhoudelijke zitting op 31 januari 2019 bekende verdachte het ten laste gelegde feit. De rechtbank achtte het wettig en overtuigend bewezen op basis van de aangifte van het slachtoffer en de bekentenis van verdachte. De verdediging erkende de feiten en pleitte niet voor vrijspraak.
De rechtbank oordeelde dat de verdachte strafbaar is, ook al was hij niet op de hoogte van de minderjarige leeftijd van het slachtoffer en de uitbuitingssituatie waarin het slachtoffer verkeerde. De wet beschermt minderjarigen nadrukkelijk tegen seksuele handelingen, ook als zij zichzelf via internet aanbieden.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 18 maanden op, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis had doorgebracht. Deze straf is lager dan de geëiste 24 maanden vanwege het ontbreken van bewijs dat verdachte op de hoogte was van mensenhandel. De rechtbank wees een taakstraf af vanwege de ernst van het feit en de bescherming van het slachtoffer.