ECLI:NL:RBDHA:2019:12553
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf voor familiebezoek wegens onvoldoende bewijs terugkeer
Eiseres, Iraanse nationaliteit, diende op 15 augustus 2018 een aanvraag in voor een visum kort verblijf met als doel familiebezoek bij haar vader in Nederland. Deze aanvraag werd afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende waren aangetoond en het voornemen om tijdig terug te keren naar Iran niet kon worden vastgesteld. Eerder was een soortgelijke aanvraag van 16 oktober 2016 ook afgewezen en deze afwijzing was in rechte vastgesteld.
Verweerder stelde dat sprake was van een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 Awb Pro, waarbij eiseres geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd die het eerdere besluit konden wijzigen. Hoewel eiseres bewijsstukken over haar werk en sociale situatie overlegde, ontbraken essentiële documenten zoals arbeidsovereenkomsten en loonstroken, waardoor onvoldoende werd aangetoond dat zij een structureel inkomen genereert en tijdig zal terugkeren.
De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit terecht was genomen door dezelfde bestuursorgaan en dat de toepassing van artikel 4:6 Awb Pro passend was. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro werd verworpen omdat een visum kort verblijf niet bedoeld is voor langdurig verblijf en geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard.