ECLI:NL:RBDHA:2019:12587
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op inkomensafhankelijke combinatiekorting wegens onvoldoende verblijf kinderen
Eiser heeft met zijn ex-partner drie kinderen, waarvan twee jonger dan twaalf jaar waren in 2016. De kinderen stonden het gehele jaar 2016 ingeschreven op het woonadres van de ex-partner en verbleven slechts om de week een weekend en extra vakantiedagen bij eiser.
De kern van het geschil was of eiser recht had op de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) voor 2016. Volgens de wet moet een kind ten minste zes maanden op hetzelfde adres als de belastingplichtige ingeschreven staan, of als dat niet het geval is, moet het kind doorgaans ten minste drie gehele dagen per week bij de belastingplichtige verblijven.
De rechtbank oordeelde dat het verblijf van de kinderen bij eiser onvoldoende was om te spreken van een bestendige situatie van minimaal drie dagen per week. De incidentele vakantiedagen konden dit niet compenseren. Daarom kwam eiser niet in aanmerking voor de IACK. De rechtbank wees erop dat zij niet mag afwijken van de wet, ook niet om billijkheidsoverwegingen.
Daarnaast voerde eiser geen aparte gronden aan tegen de belastingrente, die volgens de rechtbank correct was berekend. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser op de inkomensafhankelijke combinatiekorting wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende verblijf van de kinderen bij eiser.