Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2019 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer [V-nummer] , eiser
[eiser] ,v-nummer [V-nummer]
Rechtbank Den Haag
Eiser diende een eerste asielaanvraag in mei 2018, die werd afgewezen als niet-ontvankelijk omdat hij internationale bescherming geniet in Griekenland. Vervolgens diende eiser een opvolgende aanvraag in augustus 2018 in, met als grond dat hij en zijn zoon in Griekenland in een door criminele bendes beheerste wijk wonen en dat zijn zoon bijna werd gekidnapt. Ook werden medische stukken overgelegd.
Verweerder verklaarde de opvolgende aanvraag niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van nieuwe elementen die relevant zijn voor de beoordeling. Eiser stelde dat zijn psychische klachten en de situatie in Griekenland onvoldoende zijn meegewogen en deed een beroep op artikel 3 IVRK Pro.
De rechtbank oordeelde dat de situatie in Griekenland reeds bekend was bij de eerste aanvraag en dat de medische stukken geen nieuwe feiten bevatten. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel leidt tot de aanname dat Griekenland zijn verdragsverplichtingen nakomt, waaronder medische zorg. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer niet adequaat behandeld zal worden.
Ten aanzien van het belang van het kind oordeelde de rechtbank dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de minderjarige zoon. Het verzoek tot heropening van het onderzoek werd afgewezen omdat geen nieuwe feiten waren aangevoerd.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van de opvolgende asielaanvraag.