ECLI:NL:RBDHA:2019:12639
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid relatie en eergerelateerde problemen
Eiser diende op 25 oktober 2018 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel, stellende dat hij in Jordanië een intieme relatie had met een meisje genaamd A, waarna eergerelateerde problemen ontstonden met bedreigingen aan zijn ouders.
Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 Vreemdelingenwet Pro 2000 juncto artikel 30b lid 1 onder e, omdat de relatie en de problemen niet geloofwaardig werden geacht. Eiser voerde aan dat verweerder ten onrechte zijn verhaal niet geloofwaardig achtte.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de verklaringen van eiser over de ontmoeting en relatie met A als summier en onvoldoende concreet beoordeelde. Ook was het bewijs over vernielingen bij het ouderlijk huis en de betrokkenheid van de familie van A niet overtuigend en niet verifieerbaar.
De rechtbank stelde vast dat verweerder voldoende gemotiveerd op de zienswijze van eiser was ingegaan en dat de tegenstrijdigheden in de verklaringen over de relatie met A de geloofwaardigheid ondermijnden. Daarom was de afwijzing van de asielaanvraag terecht en werd het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.