ECLI:NL:RBDHA:2019:12650
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Verklaring Omtrent het Gedrag voor functie BOA wegens rijden onder invloed
Eiser heeft op 3 september 2018 een aanvraag ingediend voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor de functie van gemeentelijk opsporingsambtenaar (BOA). De Minister voor Rechtsbescherming heeft de aanvraag op 5 december 2018 afgewezen en het bezwaar van eiser op 21 februari 2019 ongegrond verklaard. Eiser stelde dat de beoordeling onjuist was omdat een strafbaar feit uit 2006 ten onrechte was meegewogen en dat de belangenafweging niet correct was uitgevoerd.
De rechtbank oordeelt dat de Minister terecht heeft vastgesteld dat aan het objectieve criterium is voldaan, aangezien binnen de terugkijktermijn van tien jaar sprake is van relevante justitiële gegevens, waaronder twee strafbeschikkingen voor rijden onder invloed in 2014 en 2017. Dit gedrag is onverenigbaar met de functie van BOA, die een hoge mate van integriteit vereist.
Ook het subjectieve criterium is volgens de rechtbank juist toegepast; de belangenafweging leidt tot de conclusie dat het belang van de samenleving bij bescherming tegen het risico zwaarder weegt dan het belang van eiser bij afgifte van de VOG. De rechtbank benadrukt dat de bijzondere bevoegdheden en gezagspositie van een BOA een langere terugkijktermijn rechtvaardigen en dat het risico op herhaling in deze functie het vertrouwen van de burger in het openbaar bestuur kan schaden.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen. De uitspraak is gedaan door rechter M.M. Meijers en griffier L. Heekelaar op 3 oktober 2019. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de VOG-aanvraag voor de functie van BOA wordt ongegrond verklaard.