ECLI:NL:RBDHA:2019:12835
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek tot dwangakkoord met aanbod van 0,03% aan schuldeisers
Verzoeker heeft gelijktijdig met een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend om verweerster, ING Bank N.V., te bevelen in te stemmen met een door hem aangeboden schuldregeling (dwangakkoord) conform artikel 287a Faillissementswet. De schuldregeling houdt een uitkering van 0,03% aan concurrente schuldeisers in, te reserveren over 36 maanden, tegen finale kwijting van het restant.
Verweerster heeft dit akkoord geweigerd met het argument dat het voorstel niet het maximaal haalbare is, onder meer vanwege vermeende constructies rondom aandelenoverdracht en onduidelijkheid over inkomsten uit nevenfuncties van verzoeker. Verweerster is niet verschenen op de zitting en heeft haar stellingen niet met stukken onderbouwd.
De rechtbank overweegt dat het belang van verweerster, met een vordering van circa 9,86% van de totale schuld, aanzienlijk minder is dan dat van de overige schuldeisers die het akkoord hebben aanvaard. Verzoeker heeft gemotiveerd toegelicht dat zijn salaris reëel is en dat de aandelenoverdracht geen waarde vertegenwoordigt. De rechtbank acht het voorstel het maximaal haalbare en wijst het verzoek toe. Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen omdat verzoeker geen belang meer heeft bij dat verzoek.
De rechtbank beveelt verweerster in te stemmen met het dwangakkoord en wijst het verzoek tot wettelijke schuldsanering af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open.
Uitkomst: Verzoek tot dwangakkoord wordt toegewezen en ING Bank N.V. wordt bevolen in te stemmen met de schuldregeling van 0,03%.