ECLI:NL:RBDHA:2019:12835

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 december 2019
Publicatiedatum
3 december 2019
Zaaknummer
FT RK 19.1389 en 19.1390
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot dwangakkoord met aanbod van 0,03% aan schuldeisers

Verzoeker heeft gelijktijdig met een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend om verweerster, ING Bank N.V., te bevelen in te stemmen met een door hem aangeboden schuldregeling (dwangakkoord) conform artikel 287a Faillissementswet. De schuldregeling houdt een uitkering van 0,03% aan concurrente schuldeisers in, te reserveren over 36 maanden, tegen finale kwijting van het restant.

Verweerster heeft dit akkoord geweigerd met het argument dat het voorstel niet het maximaal haalbare is, onder meer vanwege vermeende constructies rondom aandelenoverdracht en onduidelijkheid over inkomsten uit nevenfuncties van verzoeker. Verweerster is niet verschenen op de zitting en heeft haar stellingen niet met stukken onderbouwd.

De rechtbank overweegt dat het belang van verweerster, met een vordering van circa 9,86% van de totale schuld, aanzienlijk minder is dan dat van de overige schuldeisers die het akkoord hebben aanvaard. Verzoeker heeft gemotiveerd toegelicht dat zijn salaris reëel is en dat de aandelenoverdracht geen waarde vertegenwoordigt. De rechtbank acht het voorstel het maximaal haalbare en wijst het verzoek toe. Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen omdat verzoeker geen belang meer heeft bij dat verzoek.

De rechtbank beveelt verweerster in te stemmen met het dwangakkoord en wijst het verzoek tot wettelijke schuldsanering af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open.

Uitkomst: Verzoek tot dwangakkoord wordt toegewezen en ING Bank N.V. wordt bevolen in te stemmen met de schuldregeling van 0,03%.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANKDEN HAAG
Team Insolventies – enkelvoudige kamer
rekestnummer: C/09/581713 / FT RK 19/1389 en FT RK 19/1390
vonnis van 3 december 2019
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode en woonplaats],
verzoeker,
tegen
ING Bank N.V., vertegenwoordigd door Van Arkel Gerechtsdeurwaarders en Vesting Finance Fidition,
gevestigd te Amsterdam,
verweerster.

1.De procedure

1.1
Op 17 oktober 2019 is door verzoeker tegelijk met het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het bevelen in te stemmen met een door hem aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet (Fw).
1.2
Ter terechtzitting van 19 november 2019 is verzoeker, vergezeld van W. Schoonen van PLANgroep, hierover gehoord.
1.3
Verweerster is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen ter terechtzitting. Verweerster heeft bij brief van 15 november 2019 schriftelijk verweer gevoerd.
1.4
De uitspraak is bepaald op heden.

2.De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
2.1
Volgens de overgelegde schuldenlijst heeft verzoeker een totale schuld van € 4.888.495,57 aan drie schuldeisers.
2.2
De vorderingen van verweerster op verzoeker bedragen in totaal € 481.930,54. Dit is 9,86% van de totale schuldenlast.
2.3
Namens verzoeker is bij brief van 29 oktober 2018 een schuldregeling aangeboden, in de vorm van een prognoseakkoord. Dit voorstel houdt in dat aan concurrente schuldeisers een uitkering wordt gedaan van 0,03%, te reserveren in een periode van 36 maanden, tegen finale kwijting van het restant van hun vorderingen.
2.4
De aangeboden schuldregeling is door verweerster geweigerd en door de andere schuldeisers aanvaard.

3.Standpunt van de partijen

3.1
Verzoeker stelt dat verweerster in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot een weigering van de medewerking aan de schuldregeling die hij heeft aangeboden, nu de andere schuldeisers wel hebben ingestemd met de aangeboden schuldregeling.
3.2
Verweerster heeft aan haar weigering, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De aangeboden schuldregeling is niet het maximaal haalbare waartoe verzoeker financieel in staat is. Het salaris van verzoeker is niet representatief voor zijn functie. Verder was de partner van verzoeker houder van aandelen en heeft zij deze aandelen overgedragen aan de dochter van verzoeker, terwijl de vader van verzoeker op nagenoeg datzelfde moment bestuurder werd van de betreffende vennootschap. Het heeft er alle schijn van dat sprake is van een constructie om de schuldeisers buiten spel te zetten c.q. de verhaalmogelijkheden te beperken. Verzoeker voert ook een aantal nevenfuncties, waaronder bestuursfuncties, uit. Onduidelijk is of verzoeker hieruit inkomsten geniet, maar uitgesloten wordt het niet. Voorts is verzoeker bestuurder en enig aandeelhouder van de besloten vennootschap ‘Sharedbricks B.V’, welke per 15 mei 2018 eigenaar is van een perceel bouwgrond te Den Haag. Tot slot werkt de partner van verzoeker niet, heeft zij geen inkomen en voldoet zij daarmee niet aan de inspanningsverplichting.

4.De beoordeling

4.1
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt betaald. Een schuldeiser kan alleen onder bijzondere omstandigheden gedwongen worden om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. Deze schuldregeling leidt er toe dat de schuldeisers afstand moeten doen van een deel van hun vordering. Een verzoek om weigerende schuldeisers te bevelen toch met de aangeboden schuldregeling in te stemmen, zal alleen dan worden toegewezen als deze schuldeisers in redelijkheid de schuldregeling niet hebben kunnen weigeren. Hierbij wordt in aanmerking genomen enerzijds het belang van verweerster bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en anderzijds de belangen van verzoeker of van de schuldeisers die met de schuldregeling hebben ingestemd. Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank het volgende.
4.2
Het belang dat verweerster heeft met haar vorderingen die gezamenlijk 9,86% van de totale schuldenlast vertegenwoordigen, is aanmerkelijk geringer dan het belang van de overige schuldeisers die wel hebben ingestemd. Hun vorderingen vertegenwoordigen ruim 90% van de schuldenlast. De stelling dat verzoeker niet het maximaal haalbare heeft aangeboden heeft verzoeker gemotiveerd betwist. Hij heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij, gelet op zijn registratie in het BKR en zijn faillissement in het verleden, geen vergunning krijgt van de Autoriteit Financiële Markten om klanten te adviseren, zodat hij slechts ondersteunende werkzaamheden kan verrichten bij zijn werkgever. De hoogte van zijn salaris is daarmee in overeenstemming, aldus verzoeker. Ook heeft hij betwist dat hij aandelen bezit in een vennootschap die enige waarde vertegenwoordigen. Dat zijn echtgenote niet werkt is niet relevant voor zijn aflossingscapaciteit omdat hij en zijn echtgenote buiten gemeenschap van goederen zijn gehuwd en zij bovendien ook eigen schulden heeft. Nu de stellingen van verweerster niet met schriftelijke stukken zijn onderbouwd en zij niet op de zitting is verschenen om te reageren op de toelichting van verzoeker slaagt het verweer niet. Op grond van het voorgaande en de stukken is voldoende aannemelijk geworden dat verzoeker een voorstel heeft gedaan dat gezien de omstandigheden van het geval het maximaal haalbare is waartoe hij financieel in staat kan worden geacht. Verder overweegt de rechtbank dat het alternatief, te weten toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, minder zal opbrengen voor de schuldeisers dan het door verzoeker voorgestelde akkoord, gelet op het te betalen salaris van de bewindvoerder in het wettelijk traject. De rechtbank zal het verzoek dan ook toewijzen.
4.3
Verzoeker heeft ook een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend. Het verzoek tot het bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling wordt toegewezen. Verzoeker heeft dan ook geen belang meer bij zijn verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Dat verzoek zal worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
beveelt verweerster in te stemmen met de onder 2.3 bedoelde schuldregeling;
5.2
wijst af het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Gewezen door mr. W.J. Don, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
3 december 2019 in tegenwoordigheid van C.R. Cortenbach-van der Lek LL.B., griffier.
Tegen deze uitspraak kunnen de schuldeisers die het verzoek betrof gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak in hoger beroep komen, in te stellen door een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.