Uitspraak
REchtbank DEN Haag
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
[derde-partij] ([derde-partij]), vergunninghouder.
Rechtbank Den Haag
Op 17 oktober 2018 verleende het college van burgemeester en wethouders van Den Haag een omgevingsvergunning aan een vergunninghouder voor het kappen van 21 bomen nabij een vijver bij het voormalig ministerie van Buitenlandse Zaken. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg om een voorlopige voorziening om het kappen te voorkomen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek een voorlopig karakter heeft en dat de belangenafweging door verweerder zorgvuldig was uitgevoerd. Er was geen sprake van benadeling van verzoekster door de communicatie. De vraag naar een alternatieve locatie voor een nieuwe entree van het gebouw viel buiten het bestreden besluit en kon daarom niet worden meegenomen.
Het rapport van Copijn stelde dat de moerascipressen verplantbaar zouden zijn naar drie locaties, maar verweerder betoogde dat deze locaties ongeschikt waren en dat een langdurige voorbereidingsperiode noodzakelijk is. De voorzieningenrechter vond de argumenten van verweerder aannemelijk en concludeerde dat het belang van het vellen van de bomen in het licht van de toekomstige ontwikkelingen op het perceel mocht prevaleren.
De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. De voorzieningenrechter benadrukte het belang van overleg tussen partijen om compensatie van het verlies van de waterpartij te onderzoeken. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor het kappen van bomen wordt afgewezen.