Uitspraak
Beschikking van de kantonrechter op het verzoek van:
[verzoekster] en [verzoeker] ,
Overwegingen
[erflater], laatst gewoond hebbend te [woonplaats] .
[minderjarige] geboren te [plaats] op [geboortedatum 1] ,
[erflater]te verwerpen.
Rechtbank Den Haag
Op 28 februari 2019 is de erflater te Vlaardingen overleden. Verzoekers, als wettelijk vertegenwoordigers van een minderjarige met dubbele Duitse en Nederlandse nationaliteit, vroegen machtiging om namens de minderjarige de nalatenschap te verwerpen.
De minderjarige woont in Duitsland, waardoor de Duitse rechter in beginsel bevoegd is op grond van Verordening Brussel-II bis. Echter, op basis van artikel 12 lid 3 van Pro deze verordening kan de Nederlandse rechter bevoegd zijn indien het kind een nauwe band met Nederland heeft, de bevoegdheid is aanvaard en het belang van het kind dit rechtvaardigt. De kantonrechter stelde vast dat aan deze voorwaarden is voldaan.
De Nederlandse kantonrechter is derhalve bevoegd, maar de beoordeling van het verzoek vindt plaats naar Duits recht volgens het Haags Kinderbeschermingsverdrag. Volgens Duits recht is geen machtiging vereist omdat de minderjarige erfgenaam is geworden door de verwerping van de nalatenschap door haar vader.
Daarom heeft de kantonrechter het verzoek afgewezen wegens gebrek aan belang. Tegen deze beschikking kan binnen drie maanden hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het verzoek tot machtiging tot verwerping van de nalatenschap namens de minderjarige wordt afgewezen.