ECLI:NL:RBDHA:2019:12993
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende bewijs van vervolging in Venezuela
Eiseres, een Venezolaanse vrouw, diende op 11 december 2018 een asielaanvraag in met het argument dat zij vervolging vreest vanwege haar deelname aan studentenprotesten tegen de regering. Zij stelde ook dat haar stiefvader in 2011 werd vermoord door een gewapende burgergroep en dat haar familie bedreigd werd.
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees de aanvraag af op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, stellende dat het relaas van eiseres ongeloofwaardig was. De rechtbank oordeelde dat eiseres tegenstrijdige verklaringen gaf over het moment van haar protestdeelnames en onvoldoende onderscheidend was ten opzichte van andere demonstranten. Ook werd het vertrek uit Venezuela zonder problemen als bewijs gezien dat er geen directe bedreiging was.
Eiseres voerde aan dat de algemene situatie in Venezuela zodanig zorgelijk is dat terugkeer een schending van artikel 3 EVRM Pro oplevert. De rechtbank stelde echter vast dat, hoewel de situatie zorgelijk is, er geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep op afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van vervolging.