ECLI:NL:RBDHA:2019:13005

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 december 2019
Publicatiedatum
6 december 2019
Zaaknummer
09/127231-18
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38r SrArt. 14g SrArt. 509dd SvArt. 509z lid 2 SvArt. 22 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over verplaatsing behandeling voorwaardelijke ISD-maatregel naar raadkamer

De rechtbank Den Haag behandelde op 22 november 2019 een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel die bij onherroepelijk vonnis van 14 september 2018 was opgelegd. Hoewel de vordering op grond van artikel 38r Sr moest worden behandeld door de raadkamer, was de behandeling aanvankelijk op een openbare terechtzitting aangevangen en daarna voor onbepaalde tijd aangehouden.

De rechtbank onderzocht vervolgens of zij bevoegd was de vordering te behandelen en concludeerde dat de raadkamer geen ander gerecht is dan de rechtbank zelf, maar een andere wijze van behandeling binnen dezelfde rechtbank. De rechtbank is bevoegd, maar de behandeling moet plaatsvinden in de raadkamer, waarbij de procedurele regels van die behandeling gelden.

De rechtbank stelde vast dat een mededeling tijdens de terechtzitting volstaat om de behandeling van de openbare terechtzitting naar de raadkamer te verplaatsen. Aanhouding is alleen nodig als onmiddellijke voortzetting de belangen van de veroordeelde schaadt. De rechtbank besloot daarom de behandeling te heropenen, voort te zetten in de raadkamer en de behandeling te schorsen tot een nader te bepalen zitting, waarbij de veroordeelde en de reclasseringswerker worden opgeroepen.

Uitkomst: De rechtbank heropent de behandeling van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke ISD-maatregel en bepaalt dat deze voortgezet wordt in de raadkamer met schorsing tot nader te bepalen zitting.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09-127231-18
Datum tussenvonnis: 6 december 2019
De rechtbank Den Haag, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende tussenvonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de veroordeelde:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1981,
[adres] ,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Zuid-Oost", locatie Ter Peel, te Evertsoord.

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 22 november 2019.
De veroordeelde, bijgestaan door haar raadsvrouw mr. F.A.M. Engels, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Beschrijven eerdere veroordeling

De vordering van 21 augustus 2019 houdt in dat de bij onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank van 14 september 2018 voorwaardelijke opgelegde ISD-maatregel alsnog ten uitvoer wordt gelegd. Hoewel in de vordering artikel 14g Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) als wettelijke grondslag is opgenomen, blijkt uit alles dat bedoeld is een vordering op grond van artikel 38r Sr in te dienen.
Op grond van artikel van 509dd Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) dient een dergelijke vordering behandeld te worden door de raadkamer. De behandeling van de vordering is echter aangevangen op de openbare terechtzitting van 14 oktober 2019 en is toen voor onbepaalde tijd aangehouden.
Op de openbare terechtzitting van 22 november 2019 is de voorgeschreven behandeling door de raadkamer aan de orde gesteld. De officier van justitie, mr. D. Kortekaas, heeft zich niet verzet tegen verwijzing naar de raadkamer, de raadsvrouw van de veroordeelde wel. Het onderzoek ter zitting is daarna gesloten.

Bevoegdheid

De rechtbank – die zitting hield op de openbare terechtzitting – ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of zij zich onbevoegd moet verklaren.
De raadkamer is niet een ander gerecht of rechterlijk college dan de rechtbank. Evenmin is de raadkamer een aparte kamer als bedoeld in artikel 47 e.v. van de Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: Wet RO), terwijl ook niet blijkt van enig onderscheid naar kennis of kunde. De raadkamer is de evenknie van de openbare terechtzitting (artikel 22 Sv Pro). Het is aan de rechtbank in de zin van artikel 45 Wet Pro RO om ‘in de juiste juridische zaal’ te gaan zitten en de daar geldende procedureregels te hanteren.
In dit geval is de artikel 38r Sr-vordering bij het juiste gerecht aangebracht (artikel 509z, lid 2 Sv), terwijl niet de behandeling door een andere in de Wet RO genoemde kamer is voorgeschreven. De rechtbank is dan ook bevoegd van de vordering kennis te nemen. Die vordering moet echter door de raadkamer – i.e. de rechtbank zitting houdend in raadkamer – worden behandeld.
Van openbare terechtzitting naar raadkamer
Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld op welke wijze die verplaatsing van de openbare terechtzitting naar raadkamer vorm moet krijgen.
Nu gerecht en kamer dezelfde blijven, is een verwijzing in enge zin niet aan de orde.
Voldoende is dat voor alle partijen duidelijk is dat de rechtbank de vordering als raadkamer of op de terechtzitting behandelt. Daaruit – en uit eventuele bijzondere bepalingen met betrekking tot de behandeling – vloeien de procedurele voorschriften, waaronder die over de openbaarheid, voort, terwijl het ook bepaalt of de uiteindelijke rechterlijke beslissing een beschikking of een uitspraak (vonnis) is (artikel 138 Sv Pro). Een mededeling van de rechtbank ter zitting volstaat dan ook om de behandeling van terechtzitting naar raadkamer te verplaatsen (of andersom).
In een dergelijk geval is aanhouding slechts aan de orde indien met de onmiddellijke voortzetting de verdedigingsbelangen van de veroordeelde zouden worden geschaad, bijvoorbeeld omdat de andere procedureregels tot een andere gekozen verdediging aanleiding geven.
Conclusie
In deze zaak zal de rechtbank de behandeling dan ook heropenen om de vordering in raadkamer (verder) te behandelen. Nu de heropeningsbeslissing wordt genomen op de openbare terechtzitting, is deze rechterlijke beslissing een vonnis. De daaropvolgende beslissingen delen dat lot.

Beslissing

De rechtbank:
- heropent de behandeling;
- bepaalt dat de rechtbank de zaak als raadkamer voortzet;
- schorst de behandeling tot een nader te bepalen (raadkamer)zitting;
- beveelt de oproeping van de veroordeelde tegen datum en tijdstip van die nader te bepalen zitting, met kennisgeving daarvan aan de raadsvrouw;
- beveelt de oproeping van de reclasseringswerker [naam] tegen datum en tijdstip van die nader te bepalen zitting.
Dit tussenvonnis is gewezen door
mr. G.H.M. Smelt voorzitter,
mr. R.E. Perquin rechter,
mr. M.E. Notermans rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.A.M. Doornekamp, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 december 2019.