Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 november 2019 in de zaak tussen
,gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
[C] verschenen.
Overwegingen
[bedrijf] , [bedrijf] , [bedrijf] , [bedrijf] , [bedrijf] , [handelsonderneming] (de bedrijven).
Geschil8. In geschil is of eiseres recht heeft op aftrek van voorbelasting in de periode 2008 tot 2011 voor de facturen van de bedrijven zoals vermeld onder 5. Daarnaast is de vergrijpboete in geschil.
€ 1.188.899).
9 november 2013. Voor de berechting van zaken in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat dit niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak wordt gedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In de onderhavige zaak ziet de rechtbank aanleiding, om in verband met bijzondere omstandigheden, de redelijke termijn op vijf jaar en een maand te stellen. Verweerder heeft immers met instemming van eiseres de termijn voor het afhandelen van het bezwaarschrift bij brief van 28 februari 2014 verlengd totdat het strafrechtelijk financieel onderzoek was afgerond. Bij brief van 13 april 2017 verzoekt verweerder eiseres haar bezwaarschrift te motiveren. De redelijke termijn dient naar het oordeel van de rechtbank, in verband met het extra tijdsverloop dat gemoeid was met het aanhouden van het bezwaarschrift totdat het strafrechtelijk onderzoek was afgerond, te worden verlengd met een termijn van 3 jaar en 1 maand. Dit brengt mee dat de redelijke termijn in dit geval
5 jaar en 1 maand bedraagt.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 1.188.899 en vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;
- vermindert de vergrijpboete tot een bedrag van € 505.282;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 766;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338 aan eiseres te vergoeden.