Uitspraak
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
9 december 2019 in de zaken tussen
(gemachtigde: [A] ),
Rechtbank Den Haag
Eiser stond op 23 en 24 augustus 2019 met zijn auto geparkeerd op een locatie in Leiden die bestemd is voor vergunninghouders of dagvergunninghouders. Tijdens controles is vastgesteld dat eiser geen geldige vergunning of dagvergunning had. Eiser voerde aan dat zijn auto deels op het trottoir stond, waardoor volgens hem geen sprake was van parkeren in fiscale zin, en dat er sprake was van een technisch mankement waardoor de auto niet kon rijden.
De rechtbank oordeelt dat het feit dat twee wielen van de auto op de rand van het parkeervak stonden niet betekent dat er geen sprake was van parkeren in de zin van de Verordening parkeerbelastingen 2019. De auto stond zodanig dat andere weggebruikers niet konden parkeren, en de locatie was aangewezen als vergunninghoudersplaats. De stellingen van eiser, waaronder de verwijzing naar een 'Mulder'-feit en het technisch mankement, zijn onvoldoende onderbouwd en worden verworpen.
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter Batelaan-Boomsma op 9 december 2019.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd omdat eiser zonder vergunning parkeerde op een fiscale parkeerplaats.