Eiseres, een Iraanse asielzoekster, had in 2017 een eerste asielaanvraag ingediend die was afgewezen en onherroepelijk werd verklaard. In 2018 diende zij een opvolgende aanvraag in, die door verweerder werd ingewilligd met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met ingang van 9 juli 2018.
Eiseres stelde bezwaar tegen de ingangsdatum en voerde aan dat de vergunning met terugwerkende kracht tot de datum van haar eerste aanvraag (26 juni 2017) moest ingaan. Verweerder wijzigde de ingangsdatum via een aanvullend besluit naar 4 mei 2018, de datum van de opvolgende aanvraag.
De rechtbank oordeelde dat de wijziging van de ingangsdatum terecht was, omdat de eerste aanvraag onherroepelijk was afgewezen en de opvolgende aanvraag gebaseerd was op nieuwe feiten en omstandigheden. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiseres vanwege het bereiken van het aanvullende besluit.