ECLI:NL:RBDHA:2019:13491
Rechtbank Den Haag
- Bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid asielaanvraag wegens subsidiaire bescherming in Duitsland
Eiser heeft op 21 oktober 2019 asiel aangevraagd in Nederland. Na het invoeren van zijn vingerafdrukken in Eurodac bleek dat hij sinds 12 oktober 2017 subsidiaire bescherming heeft in Duitsland, geldig tot 2 januari 2020. Eiser stelt dat hij zijn verblijfsstatus in Duitsland heeft verloren doordat hij in 2018 vrijwillig Duitsland heeft verlaten voor een verblijf van zes maanden buiten de EU om zijn familie te bezoeken en te trouwen.
De rechtbank overweegt dat eiser sinds 2016, met een tussenpoos van zes maanden, rechtmatig in Duitsland verbleef en nog steeds kan verblijven. Verweerder heeft onderzoek gedaan bij de Duitse autoriteiten, die bevestigen dat eiser nog steeds subsidiaire bescherming geniet en opnieuw is toegelaten tot Duitsland op 21 oktober 2019. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze informatie onjuist is.
Hoewel eiser graag met zijn echtgenote in Nederland wil verblijven, die daar asiel heeft aangevraagd, kan van hem redelijkerwijs worden verlangd dat hij terugkeert naar Duitsland waar hij een geldige verblijfsstatus heeft. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om opvang toe totdat op het beroep is beslist.
Uitkomst: De asielaanvraag van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege zijn geldige subsidiaire bescherming in Duitsland.