ECLI:NL:RBDHA:2019:13619
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in familierechtelijke procedure
Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter in een familierechtelijke procedure over de hoofdverblijfplaats van hun kind. Zij stelde dat de rechter vooringenomen was omdat zij een beschermingsonderzoek gelast had zonder dat verzoekster daarvan op de hoogte was en zonder haar te horen.
De rechtbank stelde vast dat verzoekster wist dat de zitting, ondanks haar referteverklaring, zou doorgaan en dat zij ervoor koos niet te verschijnen. Hierdoor kon zij niet reageren op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming. De wrakingskamer oordeelde dat het gelasten van een beschermingsonderzoek een ambtshalve beslissing is die niet getuigt van vooringenomenheid.
Verder werd geoordeeld dat het toelaten van nieuwe verzoeken en het niet sturen van de beschikking aan de advocaat van verzoekster geen concrete aanwijzingen voor vooringenomenheid zijn. Ook het feit dat verzoekster niet werd gehoord over bepaalde beslissingen kan niet leiden tot wraking.
De wrakingskamer benadrukte dat een rechterlijke beslissing op zich nooit een grond voor wraking kan zijn. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen en de procedure in de hoofdzaak werd voortgezet in de stand van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens gebrek aan objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.