In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor betrokkenheid bij schietincidenten op twee coffeeshops in Delft en voor woninginbraken in Amstelveen en IJmuiden. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van alle feiten die verband houden met het schieten en het pogen te schieten op de coffeeshops, omdat onvoldoende bewijs bestond voor zijn actieve deelname of wetenschap van de schietacties. De verdachte werd wel veroordeeld voor twee woninginbraken waarbij hij met braak goederen heeft weggenomen uit woningen in Amstelveen en IJmuiden.
De rechtbank baseerde de bewezenverklaring van de woninginbraken mede op de bekennende verklaring van de verdachte en diverse proces-verbalen. De verdachte heeft de feiten bekend en zijn raadsman heeft geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. De rechtbank achtte de strafbaarheid van de verdachte voor deze feiten onbetwistbaar.
De verdachte heeft een strafblad met ernstige eerdere veroordelingen, waaronder een PIJ-maatregel voor verkrachtingen en doodsbedreigingen. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte bij het bepalen van de straf. De opgelegde straf is een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Tevens werd het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Den Haag op 23 december 2019. De rechtbank benadrukte dat de verdachte onvoldoende bewijsbaar betrokken was bij de schietincidenten, maar wel schuldig was aan de woninginbraken en diefstal met braak.