ECLI:NL:RBDHA:2019:13632
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing uitstel van vertrek wegens onvoldoende bewijs ontoegankelijkheid noodzakelijke medische behandeling in Algerije
Eiser heeft bij besluit van 15 april 2019 een aanvraag gedaan voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, vanwege medische redenen. Dit verzoek is door verweerder afgewezen, waarna ook het bezwaar ongegrond werd verklaard. Eiser stelde beroep in tegen deze besluiten.
Tijdens de zitting op 11 december 2019 heeft de rechtbank beoordeeld of er sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro wegens ontoegankelijkheid van noodzakelijke medische behandeling in Algerije. De rechtbank oordeelde dat eiser niet voldoende bewijs heeft geleverd dat hij geen toegang heeft tot de vereiste zorg. Enkel stellingen over hoge kosten, afstand tot zorginstellingen en persoonlijke kwetsbaarheid zijn onvoldoende.
De rechtbank benadrukte dat de bewijslast bij eiser ligt en dat hij geen aanvullende documenten heeft overgelegd die zijn standpunt onderbouwen. Ook het feit dat een groot deel van de Algerijnse bevolking niet is aangesloten bij de gezondheidszorg, betekent niet dat er geen toegang is tot medische zorg.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van uitstel van vertrek wordt ongegrond verklaard.