ECLI:NL:RBDHA:2019:13984
Rechtbank Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot conservatoir beslag op onroerende zaken langstlevende ouder
De dochter verzocht de voorzieningenrechter om verlof voor conservatoir beslag op verschillende onroerende zaken van haar langstlevende vader, vanwege een niet-opeisbare vordering uit de nalatenschap van haar overleden moeder. Zij vreesde dat haar erfdeel verloren zou gaan door de bestedingen en voorgenomen handelingen van haar vader, waaronder schenkingen en mogelijke vermenging van vermogen bij een nieuw huwelijk.
De voorzieningenrechter stelde vast dat het verzoek summier werd onderzocht en dat daarbij moest worden getoetst of de voorgeschreven vormen waren nageleefd, of summierlijk de deugdelijkheid van het ingeroepen recht bleek en of een belangenafweging mogelijk was. Uit de parlementaire geschiedenis bleek dat het erfrecht het ongestoord voortleven van de langstlevende echtgenoot centraal stelt, waardoor het belang van de langstlevende voorrang heeft boven dat van de kinderen met een niet-opeisbare vordering.
De voorzieningenrechter oordeelde dat niet summierlijk was gebleken van de deugdelijkheid van het door de dochter ingeroepen recht en dat het verzoek daarom niet kon worden ingewilligd. Het verzoek tot conservatoir beslag werd afgewezen, waarbij werd meegewogen dat de vader als ondernemer voldoende inkomen en vermogen heeft voor zijn levensbehoefte.
Deze beslissing sluit aan bij eerdere jurisprudentie waarin het belang van de langstlevende wordt beschermd en bevestigt dat conservatoir beslag op niet-opeisbare vorderingen in dit kader niet zonder meer wordt toegestaan.
Uitkomst: Het verzoek tot conservatoir beslag op de onroerende zaken van de langstlevende vader wordt afgewezen.