ECLI:NL:RBDHA:2019:13999

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2019
Publicatiedatum
30 december 2019
Zaaknummer
AWB 19/2836
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 VwArt. 20 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsdocument artikel 9 Vreemdelingenwet wegens ontbreken geldig identiteitsbewijs

Eiser, met Iraakse nationaliteit, verzocht op 4 april 2018 om afgifte van een verblijfsdocument op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, om bij zijn in Nederland verblijvende kinderen, die EU-burgers zijn, te kunnen verblijven. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser geen geldig document voor grensoverschrijding of geldige identiteitskaart kon overleggen en zijn identiteit en nationaliteit niet ondubbelzinnig kon aantonen met andere middelen.

Eiser voerde aan dat hij eerder onder ede zijn identiteit had verklaard in een asielprocedure en dat er destijds geen beleid was dat het overleggen van een geldig paspoort of identiteitskaart vereiste. De rechtbank oordeelde dat volgens het Unierecht en vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU een lidstaat bewijs van identiteit en nationaliteit mag verlangen. Het arrest Chavez-Vilchez verandert hier niets aan.

De rechtbank stelde vast dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem onmogelijk is om een geldig identiteitsdocument te overleggen of zijn identiteit op andere wijze ondubbelzinnig aan te tonen. Het feit dat het beleid destijds anders was, leidt niet tot een ander oordeel. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Kleijn op 19 december 2019.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsdocument wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 19/2836

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2019 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Mackic).

Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 20 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. O. Sahin, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft verklaard de Iraakse nationaliteit te hebben en geboren te zijn op [geboortedatum] 1975. Hij verblijft momenteel in Nederland samen met:
- zijn partner, [A] , geboren op [geboortedatum] 1972;
- zijn gestelde zoon, [B] , geboren op [geboortedatum] 2012 (referent 1); en
- zijn gestelde dochter, [C] , geboren op [geboortedatum] 2015 (referent 2).
Eiser heeft op 4 april 2018 afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw gevraagd om bij referenten 1 en 2, die burgers van de Unie zijn, te verblijven. Daarbij heeft hij een beroep gedaan op het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 10 mei 2017 (ECLI:EU:C:2017:354).
2. Verweerder heeft bij het primaire besluit de aanvraag van eiser tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat volgens het Unierecht en volgens vaste rechtspraak van het HvJEU een lidstaat een bewijs van identiteit en nationaliteit mag verlangen van de vreemdeling die op zijn grondgebied wenst te verblijven. Pas nadat de identiteit en nationaliteit van een vreemdeling zijn vastgesteld, kan worden vastgesteld of er rechten aan het arrest Chavez-Vilchez kunnen worden ontleend. Eiser heeft zijn identiteit en nationaliteit echter niet met een geldig document voor grensoverschrijding of een geldige identiteitskaart aannemelijk gemaakt en heeft evenmin zijn identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig aangetoond met andere middelen zoals bedoeld in paragraaf B10/2.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Eiser heeft kopieën van buitenlandse documenten overgelegd, waaronder een geboorteakte, die thans nog niet zijn gelegaliseerd door de daartoe bevoegde instanties. Eiser heeft echter eerder een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend waarbij hij onder ede over zijn identiteit zou hebben verklaard, waardoor eiser stelt dat zijn identiteit vaststaat. Voorts betoogt eiser dat ten tijde van het indienen van de aanvraag er geen beleid was dat het overleggen van een geldig paspoort of geldige identiteitskaart een vereiste was.
4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
5.1.
Als algemeen uitgangspunt in het Unierecht geldt dat een lidstaat van een vreemdeling mag verlangen dat hij zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk maakt als hij op het grondgebied van die lidstaat wil verblijven. Dit volgt onder meer uit het door het HvJEU op 17 februari 2005 gewezen arrest Oulane (ECLI:EU:C:2005:95), punt 21 en 22, waarin is bepaald dat van een vreemdeling mag worden verwacht dat hij bewijs levert voor zijn identiteit en nationaliteit. Dit uitgangspunt gold eveneens ten tijde van de aanvraag van eiser. Het arrest Chavez-Vilchez doet aan het voorgaande niets af. Zoals verweerder niet ten onrechte heeft overwogen, ging laatstgenoemd arrest over de interpretatie van artikel 20 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en stond het los van de vraag naar het bewijs van de identiteit en nationaliteit van de ouder die verblijf wenst bij een kind. Wel volgt uit dit arrest de voorwaarde dat de vreemdeling een derdelander dient te zijn en dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij aan de voorwaarden voor verblijf voldoet. De vreemdeling dient dus aannemelijk te maken dat hij derdelander is.
5.2.
Niet in geschil is dat eiser ten tijde van het bestreden besluit en tot op heden geen geldig document voor grensoverschrijding of geldige identiteitskaart heeft overgelegd. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers eigen verklaring onvoldoende is om zijn nationaliteit en identiteit ondubbelzinnig aan te tonen. Dat zijn gestelde identiteit en nationaliteit in eerdere procedures omtrent asielverlening geen probleem vormden, wil niet zeggen dat verweerder thans niet meer van eiser mag verlangen om zijn identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig aan te tonen. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem onmogelijk is om een geldig document voor grensoverschrijding of geldige identiteitskaart over te leggen dan wel met andere middelen zijn identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig aan te tonen. Eiser heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat hij een derdelander is.
5.3.
De omstandigheid dat in het beleid van verweerder, zoals dat gold ten tijde van de aanvraag van eiser, het aantonen van de identiteit en nationaliteit niet als voorwaarde was opgenomen, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende toegelicht dat deze toevoeging in B10/2.2 van de Vc enkel een verduidelijking betreft van het onder 5.1. genoemde algemeen geldende uitgangspunt dat verweerder pas kan vaststellen of sprake is van rechtmatig verblijf als (familielid van) een gemeenschapsonderdaan indien de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling duidelijk is.
5.4.
Voor zover de gronden van het beroepschrift een herhaling zijn van gronden die eiser eerder in bezwaar naar voren heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat verweerder hier in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd op is ingegaan.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Frieling, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.