ECLI:NL:RBDHA:2019:13999
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument artikel 9 Vreemdelingenwet wegens ontbreken geldig identiteitsbewijs
Eiser, met Iraakse nationaliteit, verzocht op 4 april 2018 om afgifte van een verblijfsdocument op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, om bij zijn in Nederland verblijvende kinderen, die EU-burgers zijn, te kunnen verblijven. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser geen geldig document voor grensoverschrijding of geldige identiteitskaart kon overleggen en zijn identiteit en nationaliteit niet ondubbelzinnig kon aantonen met andere middelen.
Eiser voerde aan dat hij eerder onder ede zijn identiteit had verklaard in een asielprocedure en dat er destijds geen beleid was dat het overleggen van een geldig paspoort of identiteitskaart vereiste. De rechtbank oordeelde dat volgens het Unierecht en vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU een lidstaat bewijs van identiteit en nationaliteit mag verlangen. Het arrest Chavez-Vilchez verandert hier niets aan.
De rechtbank stelde vast dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem onmogelijk is om een geldig identiteitsdocument te overleggen of zijn identiteit op andere wijze ondubbelzinnig aan te tonen. Het feit dat het beleid destijds anders was, leidt niet tot een ander oordeel. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Kleijn op 19 december 2019.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsdocument wordt ongegrond verklaard.