Eiseres, werkzaam voor de Verenigde Naties en woonachtig sinds 2013 op een adres in Den Haag, vroeg op 25 juni 2018 een voorrangsverklaring aan vanwege discriminatie op haar huidige adres, mantelzorg voor haar vader met Alzheimer die naar Nederland zou komen, en hoge huurkosten. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees de aanvraag aanvankelijk af wegens onvoldoende inschrijvingsduur en gebrek aan maatschappelijke binding.
In het bestreden besluit werd de afwijzing gebaseerd op de Huisvestingsverordening, waarbij werd gesteld dat eiseres met haar inschrijvingsduur van meer dan vier jaar binnen drie maanden een passende woning kan vinden en haar inkomen haar in staat stelt zelf woonruimte te huren. Mantelzorg werd niet als grond erkend omdat haar vader in Engeland woont.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres haar woonprobleem zelf kan oplossen via reguliere of particuliere kanalen. De klachten over discriminatie en hoge huur worden erkend, maar vormen geen reden voor voorrang. Ook is eiseres verantwoordelijk voor haar inschrijving bij Woonnet-Haaglanden. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.