ECLI:NL:RBDHA:2019:14163
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoeken wegens ongeloofwaardige identiteit en onvoldoende risico op schending EVRM artikel 3
Eisers, een Eritrese moeder en haar twee zoons, vroegen asiel aan met het argument dat zij vanwege hun bekering tot de Pinkstergemeente en de dienstplicht in Eritrea bescherming behoefden. De staatssecretaris wees hun aanvragen af wegens kennelijke ongegrondheid, met name omdat de identiteit van eisers niet geloofwaardig werd geacht. Eisers konden hun identiteit niet aannemelijk maken, mede door tegenstrijdigheden in overgelegde paspoorten en het ontbreken van documenten voor de zoons.
De rechtbank oordeelde dat de bewijslast voor het aantonen van onjuistheid van gegevens in EU-Vis bij de eisers lag en dat zij hierin niet slaagden. Verweerder had voldoende onderzoek gedaan naar het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer, waarbij het enkele vervullen van de dienstplicht niet als schending werd gezien. Eisers maakten niet aannemelijk dat zij een reëel risico liepen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro.
De rechtbank verwierp ook het betoog dat de militaire dienstplicht een vorm van slavernij zou zijn die een schending van artikel 4 EVRM Pro inhoudt, omdat dit niet voldoende aannemelijk was gemaakt. Daarnaast was het niet aannemelijk dat eisers illegaal waren uitgereisd, zodat geen aanleiding was voor nader onderzoek.
Gelet op deze overwegingen concludeerde de rechtbank dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel en verklaarde de beroepen ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van de asielaanvragen worden ongegrond verklaard.