ECLI:NL:RBDHA:2019:14226
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking EU-verblijfsrecht en ongewenstverklaring
Verzoeker, met de Spaanse nationaliteit, werd geconfronteerd met een besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn verblijfsrecht op grond van het Unierecht te beëindigen en hem ongewenst te verklaren. Dit besluit volgde op een veroordeling wegens medeplegen van gewoontewitwassen, waarbij verzoeker een grote uitvoerende rol had in het witwassen van meer dan € 1.000.000.
Verzoeker stelde dat hij in detentie gedragsverandering had getoond en sinds zijn vrijlating een nieuw leven was begonnen, onder meer met een baan en verbroken contacten met criminele familieleden. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat deze gedragsverandering onvoldoende was aangetoond, mede omdat verzoeker pas kort vrij was en geen bewijs had geleverd van zijn nieuwe situatie.
De staatssecretaris had op grond van artikel 8.22 van het Vreemdelingenbesluit 2000 terecht geconcludeerd dat verzoeker een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. De belangenafweging, waaronder het familie- en privéleven van verzoeker, was zorgvuldig en gemotiveerd uitgevoerd. De voorzieningenrechter vond geen reden om het besluit te schorsen en wees het verzoek af.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening tegen de intrekking van het EU-verblijfsrecht en ongewenstverklaring is afgewezen.