De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling van een ongeboren kind, vermoedelijk geboren in 2020, vanwege vier meldingen van huiselijk geweld tussen de ouders. De moeder gaf aan ernstig mishandeld te zijn door de vader, met verbaal, fysiek en seksueel geweld, terwijl de vader dit ontkende en zich onterecht beschuldigd voelde.
De moeder had meerdere keren in een vrouwenopvang verbleven en trok later haar verklaringen in, waarbij zij toegaf te hebben gelogen uit boosheid. De kinderrechter achtte de situatie ernstig en onveilig voor het ongeboren kind, gezien de instabiele thuissituatie en mogelijke negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van het kind.
De kinderrechter stelde het ongeboren kind voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden tot 9 maart 2020 en hield de behandeling van het verzoek aan tot een zitting vlak voor die datum. De Raad werd opgedragen een schriftelijke rapportage te overleggen met een gemotiveerd advies over het voortzetten van de ondertoezichtstelling. De beslissing werd mondeling gegeven op 18 december 2019 en schriftelijk vastgesteld op 9 januari 2020.