ECLI:NL:RBDHA:2019:14371
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen intrekking verblijfsvergunning na vrijwillige terugkeer
Eiser, een Iraakse nationaliteit, kreeg op 18 januari 2016 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd toegekend na zijn aanvraag in juli 2015. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, trok deze vergunning bij besluit van 12 juni 2018 met terugwerkende kracht tot 31 juli 2017 in. Eiser stelde hiertegen beroep in.
Tijdens de beroepsprocedure ondertekende eiser op 5 maart 2019 een vertrekverklaring van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), waarin hij verklaarde vrijwillig Nederland te verlaten en instemde met beëindiging van openstaande procedures en intrekking van zijn verblijfsvergunning. Hij vertrok diezelfde dag per vliegtuig naar Irak.
De rechtbank oordeelde dat door deze vrijwillige terugkeer en ondertekening van de vertrekverklaring het procesbelang van eiser bij het beroep tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning is komen te vervallen. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Ook het beroep tegen het terugkeerbesluit werd niet-ontvankelijk verklaard. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en het terugkeerbesluit is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang door vrijwillige terugkeer.