ECLI:NL:RBDHA:2019:14383
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eiser, een Nigeriaanse man, diende samen met zijn vriendin een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris nam de aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat Italië als verantwoordelijke lidstaat was aangewezen volgens de Dublinverordening. Eiser voerde aan dat hij en zijn vriendin ernstige problemen in Italië zouden ondervinden, dat zijn vriendin kwetsbaar is vanwege haar zwangerschap, en dat de situatie in Italië onacceptabel is.
De rechtbank constateerde dat eiser geen contact meer heeft met zijn vriendin en haar als vermist moet worden beschouwd, waardoor hij als alleenstaande wordt gezien. De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië nog steeds geldt. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat dit in zijn situatie niet opgaat.
De overgelegde landeninformatie toonde geen wezenlijke tekortkomingen in de Italiaanse asielprocedure en opvangvoorzieningen die het vertrouwensbeginsel zouden ondermijnen. Het feit dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens interim maatregelen trof voor kwetsbare vreemdelingen was niet doorslaggevend, aangezien eiser niet als kwetsbaar werd aangemerkt.
De rechtbank wees erop dat eventuele klachten over schendingen van Europese richtlijnen in Italië moeten worden voorgelegd aan de Italiaanse autoriteiten. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.