Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Overwegingen
De rechtbank oordeelt als volgt.
vereistegenoemd. Verweerder heeft er in het bestreden besluit terecht op gewezen dat dit niet hetzelfde is als de inburgerings
plicht. Uit artikel 3.1, eerste lid, van de Wet inburgering volgt dat de vreemdeling die rechtmatig verblijf krijgt, inburgeringsplichtig wordt. Dit betekent dat eiser inburgeringsplichtig is geworden toen hij in 2014 zijn verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kreeg.
plicht.
Verweerder heeft er in het bestreden besluit op gewezen dat de DUO de uitvoerder is van de Wet inburgering en het Besluit inburgering en dat zij bepalen of een vreemdeling inburgeringsplichtig is. Het klopt daarom dat eiser een brief heeft gehad van de DUO dat hij is vrijgesteld van de inburgeringsplicht.
vereiste. Het inburgeringsvereiste uit artikel 3.107a van het Vb is op 1 januari 2015 op dezelfde manier aangescherpt als de inburgeringsplicht: een MBO 1 diploma is niet meer voldoende om te worden vrijgesteld. In artikel 9.1 van het Vb is overgangsrecht opgenomen voor de toepassing van artikel 3.107a van het Vb. Daaruit blijkt dat als de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ná 1 januari 2015 is ingediend, aan het nieuwe, strengere, inburgeringsvereiste moet worden voldaan. Met andere woorden: als je ná die datum een sterker verblijfsrecht wil, zal je aan een strenger vereiste moeten voldoen. Omdat eiser zijn aanvraag ná 1 januari 2015 heeft ingediend, moet hij aan het strengere inburgeringsvereiste voldoen en is zijn MBO 1 diploma dus onvoldoende om te worden vrijgesteld van het inburgeringsvereiste.
Beslissing
mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2019.