ECLI:NL:RBDHA:2019:14450
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning wegens hoofdverblijf buiten Nederland
Verzoeker, houder van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, heeft een aanvraag ingediend tot verlenging van deze vergunning. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen en de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken omdat verzoeker zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. Verzoeker stond tussen juni 2015 en juli 2018 geregistreerd als niet-ingezetene en kon niet met objectief bewijs aantonen dat hij in die periode in Nederland verbleef.
Verzoeker stelde dat de intrekking onterecht was omdat hij niet formeel was uitgeschreven als vertrokken naar het buitenland en dat hij een bestaan en familie in Nederland heeft. De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder terecht aannam dat verzoeker zijn hoofdverblijf buiten Nederland had gevestigd en dat de getuigenverklaringen onvoldoende objectieve bewijskracht hadden. Ook bleek uit het RNI dat familieleden van verzoeker eveneens buiten Nederland verbleven, zodat geen schending van artikel 8 EVRM Pro aannemelijk was.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit geen redelijke kans van slagen had en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt afgewezen.