ECLI:NL:RBDHA:2019:14460
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bewaring op grond van Vreemdelingenwet
Verzoeker is op 2 november 2019 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Tegen het voortduren van deze maatregel heeft verzoeker op 20 november 2019 beroep ingesteld en tevens een voorlopige voorziening gevraagd om de bewaring met onmiddellijke ingang op te heffen en schadevergoeding toe te kennen.
De voorzieningenrechter beoordeelt dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij het verzoek om voorlopige voorziening. Het enkele betoog dat de maatregel onrechtmatig is, is onvoldoende om spoedeisend belang aan te nemen. Bovendien voorziet de wet in een snelle behandeling van het beroep binnen twee weken, zodat verzoeker de uitspraak binnen een redelijke termijn kan afwachten.
Daarnaast is niet gebleken dat de maatregel evident onrechtmatig is. Er bestaat uiteenlopende rechtspraak over de vraag of een toegewezen voorlopige voorziening rechtmatig verblijf oplevert. De voorzieningenrechter ziet geen ernstige twijfel aan de rechtmatigheid van de maatregel.
Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de bewaring wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en omdat de maatregel niet evident onrechtmatig is.