Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Het Koninkrijk België,
Rechtbank Den Haag
Werknemer trad in april 2017 in dienst als chauffeur-bode bij de Belgische Ambassade, met een arbeidsovereenkomst die in april 2019 werd omgezet in een contract voor onbepaalde tijd. Werkgever verzocht de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsverhouding, waarbij werknemer bepaalde aanvullende werkzaamheden, zoals het wassen van privéauto’s van diplomaten, niet wilde verrichten.
De kantonrechter oordeelde dat het wassen van de auto’s redelijkerwijs tot het takenpakket van werknemer kon worden gerekend, mede omdat dit onderwerp van gesprek was tussen partijen en de privéauto’s soms voor zakelijke doeleinden werden gebruikt. Er was echter onvoldoende bewijs dat werknemer daadwerkelijk weigerde deze werkzaamheden te verrichten, zodat geen sprake was van verwijtbaar handelen.
Wel was er sprake van een verstoorde arbeidsverhouding door de langdurige conflicten over deze werkzaamheden, wat een voldragen ontslaggrond vormt. De kantonrechter wees een billijke vergoeding af omdat geen ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van werkgever was vastgesteld.
De arbeidsovereenkomst werd ontbonden per 1 december 2019 met toekenning van een transitievergoeding van € 2.110,57 bruto. De proceskosten werden verdeeld zodat elke partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 december 2019 met toekenning van een transitievergoeding van € 2.110,57 bruto.