ECLI:NL:RBDHA:2019:14527
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige wegens onvoldoende motivering gelijkheidsbeginsel
Eiser, van Turkse nationaliteit, vroeg een verblijfsvergunning aan onder de beperking 'arbeid als zelfstandige' voor zijn eenmanszaak. De aanvraag werd afgewezen omdat het ondernemingsplan onvoldoende onderbouwd was en niet ter advies aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) was voorgelegd.
Eiser voerde aan dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden, omdat een vergelijkbaar ondernemingsplan van een andere onderneming wel aan de RvO was voorgelegd. De rechtbank oordeelde dat de ondernemingsplannen relatief gelijkluidend waren en dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom het plan van eiser niet aan de RvO was voorgelegd.
Hierdoor werd het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Ook het daaropvolgende afwijzende besluit werd vernietigd omdat dit was gebaseerd op het eerdere besluit. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat de rechtbank al op het beroep had beslist.
Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiser. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.