ECLI:NL:RBDHA:2019:14529
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige voortzetting maatregel van bewaring bij asielprocedure wegens verkorte voorbereidingstijd
Eiser, een vreemdeling van Jemenitische nationaliteit, werd op 21 november 2019 in bewaring gesteld op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij verzocht verweerder om de rust- en voorbereidingstijd te verkorten en het eerste en nader gehoor op één dag te laten plaatsvinden, omdat zijn identiteit, nationaliteit en herkomst reeds duidelijk waren en de situatie in Jemen een verkorte procedure rechtvaardigde.
Verweerder heeft hieraan geen gehoor gegeven, waardoor het eerste gehoor op 28 november 2019 en het nader gehoor op 30 november 2019 plaatsvonden. De rechtbank stelt vast dat verweerder de bewaring uiterlijk op 29 november 2019 had moeten opheffen, omdat het onderzoek en de hoorzittingen zonder onoverkomelijke problemen op één dag hadden kunnen plaatsvinden.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond en oordeelt dat de bewaring vanaf 29 november 2019 onrechtmatig was. De Staat wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van €160,- voor twee dagen onrechtmatige bewaring en tot vergoeding van de proceskosten van eiser.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de bewaring vanaf 29 november 2019 onrechtmatig was en kent een schadevergoeding van €160,- toe.