ECLI:NL:RBDHA:2019:14546
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Kinderen niet-ontvankelijk in verzoek tot herstel gezag en wijziging hoofdverblijfplaats
Twee minderjarige kinderen hebben zich via de informele rechtsingang tot de rechtbank gewend met het verzoek om hun moeder te herstellen in het gezag en hun hoofdverblijfplaats te wijzigen. Zij gaven aan niet meer bij hun vader te willen wonen vanwege een gespannen en soms agressieve thuissituatie. De vader erkende spanningen maar ontkende agressie en gaf aan de kinderen niet te willen dwingen bij hem te wonen.
De rechtbank heeft de ouders en betrokken hulpverleners gehoord, waaronder de Raad voor de Kinderbescherming, een gezinscoach en een systeemtherapeut. De hulpverlening was reeds ingezet om de thuissituatie te verbeteren. De Raad signaleerde een loyaliteitsconflict bij de kinderen en adviseerde een onderzoek naar een kinderbeschermingsmaatregel.
De rechtbank oordeelde dat de kinderen op grond van artikel 1:377g BW niet bevoegd zijn om via de informele rechtsingang herstel van gezag of wijziging van hoofdverblijfplaats bij eenhoofdig gezag te vragen. Daarom werden hun verzoeken niet-ontvankelijk verklaard. Gezien de zorgen over hun welzijn gelastte de rechtbank ambtshalve een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming naar een mogelijke kinderbeschermingsmaatregel.
De kinderen verblijven feitelijk bij een tante, maar de rechtbank acht een neutrale vaste verblijfplaats belangrijk en gaf de gezinscoach opdracht de hulpverlening te coördineren. De zaak wordt niet aangehouden, maar de Raad kan bij gebleken noodzaak een verzoek tot kinderbeschermingsmaatregel indienen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de kinderen niet-ontvankelijk in hun verzoeken en gelast een onderzoek naar een kinderbeschermingsmaatregel.