ECLI:NL:RBDHA:2019:14652
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling uitsluiting advocaten van BOPZ-piket wegens overschrijding toevoegingsgrens
Drie advocaten, gespecialiseerd in rechtsbijstand aan psychiatrische patiënten, werden door de Raad voor Rechtsbijstand uitgesloten van het BOPZ-piket voor de periode 1 januari tot en met 30 juni 2019, omdat zij binnen een kalenderjaar meer dan 70 toevoegingen hadden ontvangen. Zij maakten bezwaar tegen deze besluiten, die door de Raad ongegrond werden verklaard. De advocaten stelden dat de Raad niet bevoegd was tot het nemen van deze besluiten en dat artikel 6c van de Inschrijvingsvoorwaarden in strijd was met Europese en nationale rechtsbeginselen.
De rechtbank oordeelde dat de Raad wel bevoegd was op grond van de Wet op de Rechtsbijstand (Wrb) om regels te stellen ter spreiding van rechtsbijstand en dat artikel 6c ministerieel was goedgekeurd. De regeling was niet in strijd met het Handvest van de EU of het EVRM, omdat het economisch belang van de advocaten werd geraakt, niet hun persoonlijke levenssfeer. Ook de wijze van totstandkoming was zorgvuldig, waarbij adviescommissies en belanghebbenden waren betrokken.
De rechtbank vond dat de uitsluiting een redelijke maatregel was om een evenwichtige verdeling van BOPZ-zaken te waarborgen en de kwaliteit van rechtsbijstand te behouden. De advocaten konden hun stamcliënten blijven bijstaan en via andere kanalen zaken blijven doen. De financiële gevolgen waren onvoldoende onderbouwd om de regeling te schorsen. De beroepen werden ongegrond verklaard en de besluiten gehandhaafd.
Uitkomst: De beroepen van de advocaten tegen hun uitsluiting van het BOPZ-piket worden ongegrond verklaard en de besluiten gehandhaafd.