Eiser, een Britse Unieburger, werd bij besluit van 11 december 2018 het verblijfsrecht in Nederland beëindigd en ongewenst verklaard vanwege een veroordeling tot tien jaar gevangenisstraf voor doodslag. Dit besluit werd op 27 juni 2019 in bezwaar gehandhaafd. De rechtbank ontving het beroepschrift op 24 juli 2019 en hield op 28 november 2019 een zitting.
Eiser betoogde dat hij duurzaam verblijfsrecht had opgebouwd en dat detentie deze opbouw niet onderbrak, verwijzend naar arresten van het HvJ EU. De rechtbank oordeelde echter dat de detentieperiode niet meetelt voor het verkrijgen van duurzaam verblijfsrecht, waardoor eiser onder de minder beschermde categorie van artikel 28, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn valt.
Verder stelde eiser dat zijn gedragsverandering in detentie en een laag recidiverisico tot een andere beoordeling zouden moeten leiden. De rechtbank vond dat deze gedragsverandering onvoldoende bestendig was en hechtte weinig waarde aan het reclasseringsrapport vanwege ontbrekende strafdossiers. Ook het feit dat eiser zich na het plegen van het delict had gemeld bij de politie, woog niet op tegen het ernstige karakter van het delict.
De rechtbank concludeerde dat eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving en dat het besluit tot beëindiging van het verblijfsrecht en de ongewenstverklaring terecht is genomen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.