ECLI:NL:RBDHA:2019:14827
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opschorting tenuitvoerlegging gevangenisstraf tijdens schorsing voorlopige hechtenis
De zaak betreft een kort geding waarin eiser verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van een onherroepelijke gevangenisstraf zolang de voorlopige hechtenis in een nieuwe strafzaak geschorst is. Eiser was veroordeeld voor bezit van amfetamine en professioneel vuurwerk en zat een gevangenisstraf uit sinds juni 2018. Tijdens detentie werd hij aangehouden en in voorlopige hechtenis genomen in verband met een nieuwe strafzaak over betrokkenheid bij een criminele organisatie.
Eiser stelde dat op grond van artikel 68 lid 1 Wetboek Pro van Strafvordering de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf geschorst zou moeten zijn zolang het bevel tot voorlopige hechtenis van kracht is, ook tijdens schorsing daarvan. De rechtbank overwoog dat de wetsgeschiedenis en systematiek van artikel 68 lid 1 Sv Pro juist beogen dat tenuitvoerlegging van voorlopige hechtenis en gevangenisstraf achtereenvolgens mogelijk zijn, en dat een schorsing van voorlopige hechtenis betekent dat het bevel niet langer van kracht is in de zin van dit artikel.
De rechtbank concludeerde dat de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf terecht is hervat en dat de vordering van eiser geen feitelijke grondslag heeft, mede omdat uit de beschikking en het proces-verbaal blijkt dat de schorsing niet bedoeld was om eiser in vrijheid te stellen, maar dat hij de gevangenisstraf onder een ander regime zou uitzitten.
De vordering werd afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf af en veroordeelt eiser in de proceskosten.