Eiser was het niet eens met belastingaanslagen over 2001 en 2002 en voerde bezwaar en beroep, waarbij uiteindelijk de Hoge Raad de aanslagen vernietigde. Eiser vorderde vervolgens schadevergoeding van de Staat wegens onrechtmatige overheidsdaad, maar deze vordering werd door bestuursrechterlijke instanties afgewezen. De Staat legde executoriaal beslag ter incasso van proceskostenveroordelingen uit eerdere procedures.
Eiser startte een kort geding om de executie te staken of op te schorten, stellende dat verrekening met zijn schadevordering mogelijk was en dat de Staat misbruik van bevoegdheid maakte. De rechtbank oordeelde dat in een executiegeschil geen inhoudelijke bezwaren tegen het vonnis kunnen worden ingebracht, tenzij sprake is van misbruik van bevoegdheid, wat hier niet is vastgesteld.
De rechtbank stelde dat eiser zijn schadevordering niet voorafgaand aan deze procedure aan de civiele rechter heeft voorgelegd en dat de Staat gemotiveerd betwist dat hij schadeplichtig is. Ook de bestuursrechter heeft slechts een forfaitaire proceskostenvergoeding toegekend, waardoor civiele verrekening niet aan de orde is. De vordering tot staken of opschorten van executie wordt daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.