ECLI:NL:RBDHA:2019:14838
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Geen toepassing cumulatieregel voorwaardelijke invrijheidstelling bij niet-aaneengesloten gevangenisstraffen
In deze kortgedingprocedure vordert de gedetineerde dat zijn onvoorwaardelijke gevangenisstraffen van twaalf en drie maanden bij elkaar worden opgeteld en als één straf worden beschouwd voor de toepassing van de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.). Hij stelt dat de cumulatieregel van artikel 15, vijfde lid, Sr ook van toepassing moet zijn als de straffen niet direct aaneengesloten worden uitgevoerd.
De Staat voert verweer en stelt dat de cumulatieregel alleen geldt bij aaneengesloten tenuitvoerlegging van meerdere onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen. De rechtbank oordeelt dat op het moment dat de tweede straf onherroepelijk werd, de eerste straf al volledig was uitgezeten, waardoor geen sprake is van meerdere nog uit te zitten straffen die cumulatief kunnen worden beschouwd.
De voorzieningenrechter wijst de vordering af en bevestigt dat het Openbaar Ministerie terecht heeft besloten dat geen recht bestaat op v.i. over de som van beide straffen. Tevens wordt geoordeeld dat een verklaring voor recht in kort geding niet passend is. De kosten van het geding worden aan de eiser opgelegd.
Uitkomst: De cumulatieregel van artikel 15, vijfde lid, Sr is niet van toepassing omdat de straffen niet aaneengesloten zijn uitgevoerd, waardoor geen recht bestaat op voorwaardelijke invrijheidstelling over de som van de straffen.