ECLI:NL:RBDHA:2019:1484
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf nareis wegens termijnoverschrijding
Eiser, een Eritrese nationaliteitdragende persoon, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin een aanvraag tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis werd afgewezen. De aanvraag was ingediend buiten de wettelijke termijn van drie maanden na verlening van een verblijfsvergunning aan de echtgenote van eiser, de referente.
De rechtbank overweegt dat het de eigen verantwoordelijkheid van de referente is om de aanvraag tijdig in te dienen. Het feit dat medewerkers van het COA haar mogelijk verkeerd zouden hebben voorgelicht, ontslaat haar niet van die verantwoordelijkheid. Tevens ontkent de rechtbank de stelling dat de referente geen folder heeft ontvangen waarin de termijn duidelijk wordt vermeld.
De rechtbank weegt mee dat de aanvraag pas op 23 juni 2016 is ingediend, terwijl de referente stelt dat zij op 20 april 2016 op de hoogte was van de nareistermijn. De bijzondere gezinssituatie, waarbij geen contact was tussen eiser en referente, leidt niet tot een verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank concludeert dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf nareis wordt ongegrond verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.