Eiseres werd op 5 januari 2019 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel werd op 9 januari 2019 opgeheven. De rechtbank stelde vast dat de bewaring vanaf het begin onrechtmatig was, hetgeen niet in geschil was.
Eiseres had voorafgaand aan de zitting kennis van het aanbod van verweerder voor schadevergoeding en proceskosten, waardoor het verschijnen ter zitting geen belang meer had. De rechtbank kende een schadevergoeding toe voor vier dagen onrechtmatige bewaring, berekend op basis van verblijfskosten in politiecel en detentiecentrum.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank de Staat tot betaling van proceskosten aan de rechtsbijstandverlener van eiseres, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het verzoek tot vergoeding van proceskosten voor het verschijnen ter zitting werd afgewezen omdat het belang daarvoor ontbrak.
De uitspraak is gedaan door rechter C.E. Bos en griffier R. Groeneveld en staat open voor hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.