ECLI:NL:RBDHA:2019:14890
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting in vreemdelingenrecht
Verzoeksters, beiden met de Marokkaanse nationaliteit, hadden een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro, gericht op het privéleven. Deze aanvragen werden door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 28 juni 2019 afgewezen. Verzoeksters maakten hiertegen bezwaar en vroegen om een voorlopige voorziening die de uitzetting tot de beslissing op bezwaar zou verbieden.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 11 november 2019, waarbij partijen niet verschenen. De staatssecretaris verzette zich niet tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening en ook niet tegen de veroordeling in proceskosten. Op basis hiervan oordeelde de voorzieningenrechter dat uitzetting van verzoeksters moet worden verboden tot vier weken na de beslissing op het bezwaar.
Daarnaast werd verzoeksters vrijstelling van griffierecht toegekend en werd de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van proceskosten van €512,-. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: De uitzetting van verzoeksters wordt verboden tot vier weken na beslissing op het bezwaar.