ECLI:NL:RBDHA:2019:1550

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 februari 2019
Publicatiedatum
21 februari 2019
Zaaknummer
NL19.1375
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Vreemdelingenwet 2000Artikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens internationale bescherming in Duitsland

Eiser, met Eritrese nationaliteit, diende een asielaanvraag in Nederland in, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet-ontvankelijk werd verklaard op grond van artikel 30a van de Vreemdelingenwet 2000. Dit omdat eiser reeds internationale bescherming geniet in Duitsland, een andere lidstaat van de Europese Unie.

Eiser betwist deze niet-ontvankelijkverklaring en voert aan dat terugkeer naar Duitsland een schending van artikel 3 EVRM Pro inhoudt, omdat hij daar als minderjarige op straat zou hebben geleefd. De rechtbank oordeelt echter dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie in Duitsland anders is. Eiser was in Duitsland als meerderjarige geregistreerd, ontving een uitkering, had huisvesting en volgde een opleiding.

Hoewel eiser stelt dat hij tijdelijk op straat heeft geleefd, is dit volgens de rechtbank het gevolg van eigen nalatigheid en keuzes. De rechtbank benadrukt dat eiser zelf inspanningen moet leveren om zijn rechten in Duitsland te effectueren en bij problemen hulp moet zoeken bij de daarvoor geëigende instanties.

De aanvraag is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard en het beroep ongegrond. De rechtbank wijst ook het beroep op het arrest Gnandi af omdat eiser reeds statushouder is. Verder kunnen verstrekkingen niet in deze verblijfsprocedure worden behandeld. Ten slotte is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat eiser reeds internationale bescherming geniet in Duitsland.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.1375

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. S.R. Nohar),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).

ProcesverloopBij besluit van 21 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van 22 december 2018 niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2019. Beide partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Eritrese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2001.
2. Verweerder heeft eisers asielaanvraag op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser in een andere lidstaat van de Europese Unie, te weten Duitsland, internationale bescherming geniet.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij betwist niet dat hij in Duitsland internationale bescherming geniet, maar voert aan dat terugkeer naar Duitsland desalniettemin een schending zal inhouden van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Hij moest in Duitsland namelijk op straat leven en dat terwijl hij minderjarig is.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Duitsland mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dat in zijn geval anders is. Vooreerst is gebleken dat eiser in Duitsland staat geregistreerd als meerderjarige, zodat verweerder daarvan mag uitgaan. Uit eisers verklaringen is verder gebleken dat eiser in Duitsland een uitkering heeft ontvangen, hij huisvesting had en dat hij een opleiding volgde. Eiser heeft verklaard dat tijdelijk uitkering was beëindigd omdat hij was vergeten een formulier in te vullen en dat hij is gestopt met school omdat hij vond dat hij op een te hoog niveau moest beginnen. Hierdoor is eiser op straat beland. Naar het oordeel van de rechtbank mag verweerder van eiser verwachten dat hij voldoet aan zijn verplichtingen en zelf inspanningen levert om zijn rechten in Duitsland te effectueren. Bij problemen kan eiser in Duitsland hulp te zoeken bij de geëigende instanties.
Ten aanzien van eisers beroepsgrond dat verweerder ten onrechte de verstrekkingen heeft beëindigd, overweegt de rechtbank dat verstrekkingen niet in deze verblijfsprocedure aan de orde kunnen komen. Ten overvloede heeft verweerder terecht opgemerkt dat eisers beroep op het arrest Gnandi van 19 juni 2018 (C-181116, EU:C:2018:465) niet kan slagen, nu eiser reeds statushouder is. Eisers stelling dat hij in Nederland familie heeft en in Duisland niet, kan evenmin in onderhavige asielprocedure een rol spelen.
5. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Pluymaekers, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.