ECLI:NL:RBDHA:2019:1550
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens internationale bescherming in Duitsland
Eiser, met Eritrese nationaliteit, diende een asielaanvraag in Nederland in, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet-ontvankelijk werd verklaard op grond van artikel 30a van de Vreemdelingenwet 2000. Dit omdat eiser reeds internationale bescherming geniet in Duitsland, een andere lidstaat van de Europese Unie.
Eiser betwist deze niet-ontvankelijkverklaring en voert aan dat terugkeer naar Duitsland een schending van artikel 3 EVRM Pro inhoudt, omdat hij daar als minderjarige op straat zou hebben geleefd. De rechtbank oordeelt echter dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie in Duitsland anders is. Eiser was in Duitsland als meerderjarige geregistreerd, ontving een uitkering, had huisvesting en volgde een opleiding.
Hoewel eiser stelt dat hij tijdelijk op straat heeft geleefd, is dit volgens de rechtbank het gevolg van eigen nalatigheid en keuzes. De rechtbank benadrukt dat eiser zelf inspanningen moet leveren om zijn rechten in Duitsland te effectueren en bij problemen hulp moet zoeken bij de daarvoor geëigende instanties.
De aanvraag is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard en het beroep ongegrond. De rechtbank wijst ook het beroep op het arrest Gnandi af omdat eiser reeds statushouder is. Verder kunnen verstrekkingen niet in deze verblijfsprocedure worden behandeld. Ten slotte is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat eiser reeds internationale bescherming geniet in Duitsland.