ECLI:NL:RBDHA:2019:1686
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank verklaart zich onbevoegd in geschil over passende huisvesting na verblijfsvergunning
Eiseres, een Syrische asielzoekster, kreeg op 29 januari 2018 een verblijfsvergunning op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder, het COA, stuurde haar een brief waarin werd aangekondigd dat haar opvang zou worden beëindigd omdat passende huisvesting buiten de opvang beschikbaar zou zijn. Eiseres maakte bezwaar tegen het oordeel dat de huisvesting bij haar zoon passend zou zijn, onderbouwd met een plattegrond van de woning.
De rechtbank onderzocht of zij bevoegd was het beroep te behandelen. Verweerder verwees naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 maart 2018, waarin werd geoordeeld dat een dergelijke aankondiging geen besluit is waartegen beroep openstaat. De rechtbank volgde dit standpunt en stelde vast dat de aanspraak op verstrekkingen van rechtswege eindigt bij verlening van de verblijfsvergunning en het beschikbaar komen van passende huisvesting.
Omdat de brief van 30 januari 2018 geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is, kon de rechtbank niet inhoudelijk op het beroep ingaan. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter W.B. Klaus en griffier Y.D. Ancion op 15 februari 2019.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen de beëindiging van de opvang en het oordeel over passende huisvesting.