ECLI:NL:RBDHA:2019:1771
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring bezwaar tegen DNA-onderzoek bij overtreding gedragsaanwijzing
De rechtbank Den Haag behandelde het bezwaar van de veroordeelde tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. De veroordeelde werd veroordeeld voor het overtreden van een gedragsaanwijzing krachtens artikel 509hh Sv en kreeg een voorwaardelijke taakstraf opgelegd.
De verdediging voerde aan dat het DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing en berechting van dit misdrijf, omdat de dader altijd bekend is en de gedragingen geen DNA-sporen opleveren. De officier van justitie stelde zich op het standpunt dat DNA-onderzoek wel relevant kan zijn vanwege de fysieke handeling van aanbellen.
De rechtbank oordeelde dat het misdrijf van overtreden van de gedragsaanwijzing valt onder de uitzonderingsgrond 'aard van het misdrijf' in artikel 2 van Pro de Wet DNA, omdat DNA-onderzoek niet bijdraagt aan identificatie of bewijs van opzet. Daarom werd het bezwaar gegrond verklaard en werd de vernietiging van het afgenomen celmateriaal bevolen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel is gegrond verklaard en het afgenomen celmateriaal moet worden vernietigd.