ECLI:NL:RBDHA:2019:1771

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2019
Publicatiedatum
27 februari 2019
Zaaknummer
RK 18/3526; 09/071473-18
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet DNAArt. 67 SvArt. 184a SrArt. 509hh Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring bezwaar tegen DNA-onderzoek bij overtreding gedragsaanwijzing

De rechtbank Den Haag behandelde het bezwaar van de veroordeelde tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. De veroordeelde werd veroordeeld voor het overtreden van een gedragsaanwijzing krachtens artikel 509hh Sv en kreeg een voorwaardelijke taakstraf opgelegd.

De verdediging voerde aan dat het DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing en berechting van dit misdrijf, omdat de dader altijd bekend is en de gedragingen geen DNA-sporen opleveren. De officier van justitie stelde zich op het standpunt dat DNA-onderzoek wel relevant kan zijn vanwege de fysieke handeling van aanbellen.

De rechtbank oordeelde dat het misdrijf van overtreden van de gedragsaanwijzing valt onder de uitzonderingsgrond 'aard van het misdrijf' in artikel 2 van Pro de Wet DNA, omdat DNA-onderzoek niet bijdraagt aan identificatie of bewijs van opzet. Daarom werd het bezwaar gegrond verklaard en werd de vernietiging van het afgenomen celmateriaal bevolen.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel is gegrond verklaard en het afgenomen celmateriaal moet worden vernietigd.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Parketnummer: 09/071473-18
Kenmerk RK: 18/3526
Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het bezwaar ex artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden van:

[bezwaarde] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ,
voor deze zaak woonplaats kiezende op het kantoor van zijn advocaat, mr. C.P. Wesselink-van Dijk, te [adres] ,
tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel.
De rechtbank heeft dit bezwaar op 5 februari 2019 in raadkamer behandeld en heeft kennisgenomen van het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.
Bezwaarde is – hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen – niet in raadkamer verschenen; wel aanwezig was zijn raadsvrouw, mr. C.P. Wesselink-van Dijk.
De raadsvrouw heeft in raadkamer gepersisteerd bij het bezwaarschrift en geconcludeerd tot gegrondverklaring van het bezwaar. Zij heeft daartoe aangevoerd dat sprake is van de uitzonderingsgrond ‘aard van het misdrijf’, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: de Wet DNA). DNA-onderzoek kan geen bijdrage leveren in de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van artikel 184a van het Wetboek van Strafrecht, omdat dit een feit betreft waarbij de dader altijd bekend is. Daarnaast lag de kern van de verdenking van bezwaarde in het zoeken van telefonisch contact met de aangeefster, een handeling waarbij geen DNA-materiaal wordt achtergelaten. De raadsvrouw heeft daarnaast aangevoerd dat ook de uitzonderingsgrond ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is begaan’, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA, van toepassing is, omdat bezwaarde geen relevante strafbare feiten op zijn strafblad heeft staan en hij geen contact meer met aangeefster heeft.
De officier van justitie heeft in raadkamer geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het bezwaar. Zij heeft daartoe aangevoerd dat geen sprake is van de uitzonderingsgrond ‘aard van het misdrijf’, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: de Wet DNA). In de onderhavige strafzaak had bezwaarde aangebeld bij de aangeefster, hetgeen een fysieke handeling betreft. DNA-onderzoek kan daarom heel wel bijdragen ter voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van het overtreden van een gedragsaanwijzing. Daarnaast is evenmin sprake van de uitzonderingsgrond ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is begaan’, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA.

Beoordeling van het bezwaar

Bezwaarde is bij uitspraak van 21 september 2019 door de politierechter van deze rechtbank ter zake van – kort gezegd – handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 16 uren met een proeftijd van 2 jaren. De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot behandeling van het bezwaar.
Bij bezwaarde is, ingevolge het bevel van de officier van justitie van 18 oktober 2018, op 15 november 2018 op grond artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, celmateriaal afgenomen. Blijkens een daarvan opgemaakte akte is het bezwaarschrift op 27 november 2018 ter griffie van deze rechtbank ingediend. Het bezwaarschrift is dus tijdig ingekomen.
Het DNA-profiel van bezwaarde is nog niet bepaald.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Op basis van de Wet DNA kan de officier van justitie bevelen dat celmateriaal wordt afgenomen bij een veroordeelde wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Overtreding van artikel 184a van het Wetboek van Strafrecht betreft een misdrijf zoals bedoeld in artikel 67, eerste lid, Sv. Bezwaarde is veroordeeld tot een taakstraf. Aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, juncto artikel 1, eerste lid, onder c van de Wet DNA is daarmee voldaan.
De Wet DNA kent de uitzonderingsbepaling dat geen DNA-onderzoek zal plaatsvinden indien het redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Over de reikwijdte van deze uitzonderingsgrond heeft de Hoge Raad op 13 mei 2008 twee arresten gewezen (ECLI:NL:HR:2008:BC8231 en ECLI:NL:HR:2008:BC8234) en bepaald dat er geen plaats is voor een verdere belangenafweging dan toetsing aan de twee, beperkt uit te leggen, uitzonderingen die artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA, behelst.
Ten aanzien van de uitzonderingsgrond ‘aard van het misdrijf’ overweegt de rechtbank dat de wetgever misdrijven heeft bedoeld waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing en berechting daarvan. Hiervan is volgens de wetgever sprake bij bijvoorbeeld valsheid in geschrifte (Kamerstukken II 2002/03, 28 685, 5, p. 14). Alhoewel het overtreden van artikel 184a van het Wetboek van Strafrecht niet specifiek als dergelijk uitgezonderd misdrijf door de wetgever wordt genoemd, is de rechtbank van oordeel dat dit eveneens een misdrijf betreft waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing en berechting daarvan. Wanneer mogelijk is gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing als bedoeld in artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering, is de dader al bekend; zijn gegevens staan immers vermeld op de gedragsaanwijzing zelf. Naast de omstandigheid dat DNA-onderzoek niet van betekenis kan zijn ter identificatie van de dader ziet de rechtbank evenmin in dat DNA-onderzoek van betekenis kan zijn om het opzet op het handelen in strijd met de gedragsaanwijzing aan te tonen. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook sprake van de uitzonderingsgrond ‘aard van het misdrijf’, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA en dient het bezwaar gegrond te worden verklaard.
Nu het bezwaar reeds op deze grond gegrond zal worden verklaard, behoeft het overige door de raadsvrouw aangevoerde geen bespreking meer.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar gegrond en beveelt de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het celmateriaal terstond wordt vernietigd.
Aldus gedaan te Den Haag door mr. W.N.L. Donker, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. van Holsteijn, griffier, en uitgesproken ter zitting van 19 februari 2019.