AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging faillissement wegens voldoening vordering en ontbreken inhoudelijk verweer
De rechtbank Den Haag behandelde het verzet van de gefailleerde tegen het vonnis van 19 februari 2019, waarbij hij in staat van faillissement werd verklaard. Verzoeker stelde dat hij niet is opgehouden met betalen en dat hij de vordering van de aanvraagster, inclusief faillissements- en verzetkosten, volledig kan voldoen.
De rechtbank beoordeelde eerst de ontvankelijkheid van het verzet. Hoewel in het oorspronkelijke vonnis stond dat verzoeker was gehoord, bleek dat hij bij de zitting slechts instemde met aanhouding en geen inhoudelijk verweer voerde. Hierdoor kon hij op grond van artikel 8 lid 2 FaillissementswetPro verzet instellen. Het verzet was tijdig en op juiste wijze ingediend.
Uit de stukken bleek dat verzoeker de vordering op de derdengeldenrekening van zijn advocaat had gestort en voldoende zekerheid had gesteld voor de faillissementskosten en het salaris van de curator. Zowel de aanvraagster, curator als rechter-commissaris stemden in met vernietiging van het faillissement. De rechtbank verklaarde het verzet gegrond en vernietigde het faillissement. Tevens stelde zij het salaris van de curator vast en bepaalde dat de kosten ten laste van verzoeker komen.
Uitkomst: Het verzet tegen het faillissement is gegrond verklaard en het faillissement is vernietigd.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team insolventies – enkelvoudige kamer
insolventienummer: C/09/19[00]F
Vonnis van 27 februari 2019
in het faillissement van:
[gefailleerde],
geboren op [geboortedatum] 1986 te 's-Gravenhage,
woonadres: [postcode en woonplaats, adres],
handelend onder de naam [X],
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [00000000],
vestigingsadres: [postcode en vestigingsplaats, adres]
gefailleerde,
advocaat mr. L.S.E. Prickartz.
Gefailleerde zal hierna worden aangeduid als “verzoeker”.
1. Procesverloop
1.1. Op 26 februari 2019 is een verzetschrift met bijlagen ingediend strekkende ot
vernietiging van het vonnis van 19 februari 2019, waarbij verzoeker in staat van faillissement werd verklaard, met benoeming van mr. W.J. Don tot rechter-commissaris en van mr. M.M. Dellebeke, advocaat te Den Haag, tot curator.
1.2. Op 26 februari 2019 heeft de rechtbank het schriftelijke advies van de curator ontvangen, alsmede het mondelinge advies van de rechter-commissaris en het schriftelijke standpunt van de aanvraagster van het faillissement.
1.3. Het verzetschrift is op verzoek van alle betrokkenen zonder zitting behandeld.
1.4. De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. De beoordeling
2.1. De rechtbank moet allereerst beoordelen of verzoeker ontvankelijk is in zijn verzet.
2.2. Artikel 8 lid 1 FwPro bepaalt dat de schuldenaar, die in staat van faillissement is verklaard, nadat hij op de aanvraag tot faillietverklaring is gehoord, gedurende acht dagen, na de dag der uitspraak, recht van hoger beroep heeft. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat de schuldenaar, zo hij niet is gehoord, gedurende veertien dagen, na de dag der uitspraak, recht van verzet heeft. Onder ‘gehoord zijn’ moet worden verstaan de schuldenaar die, in persoon of vertegenwoordigd door een advocaat, ter zitting is verschenen of die schriftelijk verweer heeft gevoerd. Van 'horen' is sprake als inhoudelijk verweer is gevoerd.
2.3. In voormeld vonnis van 19 februari 2019 is vermeld dat verzoeker op 27 december 2018 in raadkamer is gehoord en, in de voetnoot onder het vonnis, dat hij hoger beroep bij het gerechtshof te Den Haag kan instellen. De rechtbank volgt echter verzoeker in zijn standpunt dat hij op 27 december 2018 bij zijn verschijnen ter zitting slechts heeft ingestemd met aanhouding. Niet is gebleken dat inhoudelijk verweer is gevoerd. Nu verzoeker bij de voortgezette behandeling op 19 februari 2019 niet ter zitting is verschenen, is geen sprake van ‘horen’. Dit maakt dat hij op grond van artikel 8 lidPro 2, Fw verzet kan instellen tegen zijn faillietverklaring.
2.4. Het verzetschrift is tijdig en op juiste wijze ingesteld.
2.5. De conclusie is dat verzoeker ontvankelijk is in zijn verzet en de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling hiervan.
2.6. Verzoeker heeft aan zijn verzetschrift ten grondslag gelegd dat hij niet verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen en dat hij de vordering van de aanvraagster van zijn faillissement, DBS2 Factoring B.V. inclusief de kosten die verband houden met het verzet, alsmede de faillissementskosten, waaronder het salaris van de curator en de door hem gemaakte kosten, volledig kan voldoen.
2.7. De rechtbank moet beoordelen of op dit moment – de beoordeling van het verzet –summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van de aanvraagster en of verzoeker verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen, aan de hand van gegevens die nu gelden.
Er vindt dus een toetsing ex nunc plaats (Hoge Raad 5 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1473).
2.8. Uit de stukken die in het geding zijn gebracht is gebleken dat verzoeker de vordering van de aanvraagster kan voldoen en dat bedrag op de derdengeldenrekening van zijn advocaat heeft gestort. Daarnaast is daaruit gebleken dat ook voldoende zekerheid is gesteld om de faillissementskosten en het salaris van de curator, alsmede de aanvullende kosten van de advocaat van aanvraagster voor het verzet te voldoen. Overigens hebben zowel de aanvraagster als de curator verklaard in te stemmen met een vernietiging van het faillissement. Ook de rechter-commissaris adviseert hierover positief.
2.9. Nu de vordering van de (enige) aanvraagster door voldoening teniet is gegaan, althans zal gaan, moet het verzet gegrond worden verklaard en het faillissement worden vernietigd.
2.10. Na vaststelling van het salaris van de curator en het bedrag van de door deze gemaakte kosten, zal de rechtbank deze kosten alsmede de kosten van de aanvraag van het faillissement inclusief de kosten van verzet ten laste brengen van verzoeker.
3. De beslissing
De rechtbank:
verklaart het verzet gegrond;
vernietigt het op 19 februari 2019 uitgesproken faillissement van [gefailleerde],
voornoemd;
- stelt het salaris van de curator mr. M.M. Dellebeke vast op € 6.524,05 (inclusief de verschuldigde omzetbelasting);
- bepaalt dat de kosten van het salaris van de curator en het bedrag van de faillissementskosten, alsmede de kosten van de aanvraag van het faillissement en de kosten van het verzet ten laste komen van verzoeker.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.W. Vogels, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 februari 2019 in aanwezigheid van R. Becker, griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.